home




Laatst gewijzigd 24 mei 2020

Van de hak op de tak

Deze pagina onthult een aantal gegevens die we gevonden hebben in de archieven van voorouders die hoger in de stamboom voorkomen dan onze overgrootouders. Deze voorouders zijn onderverdeeld in vier groepen namen: TROMPETTER, HARST, GEEST en BOS - de achternaam van onze ouders zonder voorvoegsel. Iedere voorouder wordt geïdentificeerd met een groepnaam gevolgd door een nummer. Het nummer komt overeen met het Sosa-nummer van de persoon in de stamboom die onze ouder als proband (stam) heeft.

De Joodse tak

Henny's moeder is van Joodse afkomst, al haar ontdekte voorouders zijn van Joodse afkomst. Het werd kennelijk niet geaccepteerd als je met iemand van een ander geloof trouwde - iets wat overigens tot aan de 2e WO ook voor een groot aantal Rooms-Katholieken en Protestanten gold.
Al deze families hebben - voor zover nu bekend - hun wortels in Duitsland of Polen. In de 18e en 19e eeuw vestigden ze zich in Nederland. Van de meesten van hen wordt in de archieven als beroep "koopman" genoemd, hetgeen over het algemeen kan worden geinterpreteerd als marktkoopman of kramer.
Voorbeelden zijn:

ASHKENAZ, Simon (Zimle) Jacob (TROMPETTER-34)
was getrouwd met Feijla Alexander Reens (TROMPETTER-35), ze woonden in de Amsterdamse "Joodenbuurt" in een straat genaamd Vinkenbuurt, een straat die aan de achterzijde grensde van de huizen van de westzijde van de Rapenburgerstraat, op het voormalige eiland Rapenburg. Hun zoon Alexander nam in 1812 de achternaam Reens aan, de naam die zijn moeder ook voerde. Feijla hertrouwde met Salomon David Kanits en overleed op 75-jarige leeftijd in 1812 in de Rapenburgerstraat.

BENJAMINS, Judith (TROMPETTER-57)
trouwde in 1758 op 28-jarige leeftijd met de 22-jarige Emanuel Hijmans Danziger (TROMPETTER-56) en woonde toen in de Vinkenbuurt in Amsterdam (zie Simon Jacob Askhenaz), haar ouders waren al overleden. Het is niet helemaal zeker dat zij de moeder is van de 3 getraceerde kinderen van Emanuel, maar volgens betrouwbare bron (Moshe Mossel van Akevoth) is zij in 1788 op de Joodse begraafplaats "Zeeburg" van Amsterdam begraven als vrouw van Emanuel Hijmans Danziger.

v.DANTZIG, David Benjaminsz (TROMPETTER-15)
was koopman, woonde in de Groenesteeg te Leiden, zijn vrouw Roosje de WOLF (HARST-31) was dienstbode.

DENNEBOOM, Israël Joseph (TROMPETTER-25)
was koopman in Beilen en afkomstig uit Neuenhaus in het graafschap Bentheim.

d.HAAS, Abraham Philippus (TROMPETTER-13)
was ten tijde van zijn huwelijk in 1839 dienstknecht, later werd hij koopman en Godsdienstonderwijzer.

TROMPETTER, David Joel (TROMPETTER-3)
was oprichter en eigenaar van een kleermakerij in de Schutstraat en winkel in de Hoofdstraat te Hoogeveen, hij bezat bovendien twee panden aan de Coevorderstraatweg en belegde zijn spaargeld in hypotheken o.a. te Berlijn. Zijn grootvader David Heiman (TROMPETTER-12) was een koopman afkomstig uit Hoorn, hij vestigde zich in Beilen waar hij Henderica Denneboom (TROMPETTER-13) trouwde.

v.WIJNBERGEN, Abraham (TROMPETTER-7)
was groothandelaar in kaas in Gouda, woonde daar o.a. aan de Blekersingel.

d.WOLF, Samuel (TROMPETTER-31)
was winkelier/koopman te Leiden, hij woonde o.a. aan de Raamsteeg, was afkomstig uit Amsterdam en vestigde zich in 1796 in Leiden. Wolf was de voornaam van zijn vader Wolf Samuel (TROMPETTER-62).

Voorouders uit de oude steden van Holland

De vier oudste steden van Holland zijn Delft, Dordrecht, Haarlem en Leiden. De bevolkingsgroei van deze steden stagneerde aan het eind van de 17e eeuw, terwijl de oorspronkelijk veel kleinere steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag door bleven groeien.

Delftenaren

Een groot deel van Hans zijn voorouders - vooral van vaders kant - heeft in Delft geleefd.
Van oudsher was Delft een plaats van enige omvang, waar je je veilig kon voelen dankzij de stadsmuren en waar plaats was voor stadse voorzieningen zoals armen-, ouderen- en ziekenzorg. Aan de andere kant zullen een aantal van Hans zijn voorouders getroffen zijn door rampen als de explosie van het munitie depot in 12 oktober 1654 en de Grote Brand die uitbrak op 3 mei 1536.
Hans heeft een overzicht gemaakt op Google Maps van alle plaatsen waarvan getraceerd kon worden dat Delftse voorouders hebben gewoond, zie maps.google.com. Op deze kaart, verwijzen de rode punaises naar lokaties waar voorouders hebben gewoond, maar die niet meer bestaan, de gele punaises verwijzen naar lokaties waar voorouders hebben gewoond waarvan de huizen nog bestaan.
Enkele Delftenaren waarover wat informatie is gevonden zijn:

BEECK, Jannetje Gerrits (BOS-161)
heeft een zeer hoge leeftijd bereikt, ze overleed in 1764 op 91-jarige leeftijd in het charitaathuis van de armen, gelegen in de de Schoolsteeg, als weduwe van Robertus Bonaert (BOS-160).
Net als haar vader Gerrit Jansz Beeck (BOS-322) die kleermaker was heeft ze in de Hopsteeg gewoond.

v.BEEMEN, Maghtelt (BOS-137)
was op 13-jarige leeftijd weeskind na het overlijden van haar moeder Geertrui Hoeckgeest (BOS-275) , ze trouwde in 1737 met Barent Verhage (BOS-136), haar zus Maria was een jaar eerder met Wouter Verhage getrouwd, de broer van Barent. Maghtelt en Maria kwamen uit de Vlamingstraat. Maghtelt werd maar 34 jaar oud en overleed vermoedelijk in het kraambed.
Haar vader Marijnus (BOS-274) was in Leiden geboren, zijn vader Marijnus Cornelisz (BOS-548) was van Leiden naar Delft verhuisd, maar hij was weer (in 1634) in Delft geboren, dus diens vader Cornelis Reijersz (BOS-1096) was van Delft naar Leiden verhuisd. Alleen van Marijnus Cornelisz is een beroep bekend, hij was leertouwer (die het reeds gelooide leer geschikt maakt voor gebruik als kledingstuk).

v.d.BEMDE/BENDE, Elisabeth Jans (GEEST-759)
woonde op de hoek van het Rietveld en de Verwersdijk. Haar grootvader Abraham Jansz (GEEST-3036) was servetwerker en woonde in Den Haag voordat hij in 1612 in Delft trouwde met Trijntgen Jans (GEEST-3037). Ze woonden in Delft in de Quartelaarsteeg, de huidige Doelenstraat. We komen twee kinderen van Jan Abrahamsz (GEEST-1518) (Elisabeth's vader) in een weeskamerakte tegen na het overlijden van hun kinderloze tante Bastiaentgen Abrahams, hun vader was eerder overleden. Een broer Arij van Elisabeth komen we tegen in het crimineelboek van Delft, hij was in 1690 door verdrinking om het leven gekomen, 28 jaar oud.

d.BLIJ, Dirkje (BOS-43)
is overgrootmoeder van Hans zijn overgrootmoeder Elisabeth Bonardt (BOS-5). Veel van haar voorouders waren werkzaam in de plateelindustrie, zie verderop. Haar vader Jacobus (BOS-86) trouwde in 1764 op bijna 19-jarige leeftijd met de 8 jaar oudere Neeltje van Schie (BOS-87), ze woonden vermoedelijk in het huis waar zijn vader Jacobus (BOS-172) en zijn grootvader Joannis (BOS-344) ook woonden, aan het eind van de noordzijde van de Vlamingstraat. Daniel (BOS-688), vader van Joannis, woonde aan de noordzijde van de Nieuwe Langendijk. Jan Thomasz (BOS-1376) woonde in de Doorniksteeg, zeer waarschijnlijk is hij zoon van Thomas de Blij (BOS-2752) en Grietgen Aelberts de Roij (BOS-2753), die in 1628 in Utrecht trouwden. Deze Thomas was soldaat in de compagnie van Kapitein Berington die garnizoen hield in Utrecht. We treffen zo'n 50 trouwakten van soldaten van deze compagnie aan in Utrecht tussen 1626 en 1647. Als we naar de namen kijken van deze soldaten dan lijkt het overgrote deel van Britse komaf, dit gold waarschijnlijk ook voor Thomas de Blij, die bij zijn trouwakte ook Beijlij wordt genoemd (een verbastering van Bailey)?

v.d.BLOCK, Clasina (BOS-339)
is waarschijnlijk de dochter van Claes Willemsz (BOS-678) die schipper was en woonde aan de Veste bij de Haagpoort (bij het Noordeinde). Hij overleed in 1673, 2 1/2 jaar na zijn huwelijk met Maritie Lourus van Maelen (BOS-679).

v.BOECKELT, Jannitge Jans (BOS-697)
is een dochter van scheepsgezel Jan Jansz (BOS-1394) en Maertje Reijniers van Roeckhout (BOS-1395). Haar ouders verhuisden van het Zuideinde naar het Achterom.

BOL, Lijsbeth Reijniers (BOS-419)
gedoopt in 1644 in Leiden, woonde in Delft aan de Molslaan en was in 1673 in Nootdorp getrouwd met Johannis Evertsz van Kempen (BOS-418), na diens overlijden hertrouwde ze 10 jaar later in Delft met Johan Aelbrechtsz, een soldaat. Zowel haar vader Reijnier Hendricksz (BOS-838) als haar eerste echtgenoot werkten in de lakenindustrie, Johannes Evertsz in Delft, Reijnier Hendricksz in Leiden. Net als zijn dochter was Reijnier twee keer getrouwd eerst in 1643 met Jeanne Florquijn (BOS-839), kort daarna in 1646 met Susannetge Moote. Reijnier was afkomstig uit Goch.

BONARDT, Elisabeth (BOS-5)
is overgrootmoeder van Hans en was in 1886 getrouwd met Johannes Wilhelmus van den Bos (BOS-4). Ze overleed op 23 december 1944 - dus midden in de hongerwinter - op 84 jarige leeftijd. Hun eerste kind, Wilhelmus Johannes van den Bos (BOS-2), Hans z'n grootvader, werd 3 weken na het huwelijk geboren. Evenzo was Elisabeth zelf maar 2 maanden na het huwelijk van haar ouders, Hermanus Johannes (BOS-10) en Dirkje van der Linden (BOS-11) geboren. Hermanus Johannes was zadelmaker, dit gezin woonde eerst in de Gasthuislaan, maar verhuisde in 1887 naar de Beestenmarkt, behalve zadelmaker was hij tussen 1861 en 1877 actief met de koop en verkoop van pandjes in Delft.
De ouders van Hermanus Johannes zijn Robertus (BOS-20) en Elizabeth van der Lee (BOS-21). In het bevolkingregister van Delft staat Robertus als katholiek vermeld, zij als hervormd, hun eerste 2 kinderen werden katholiek gedoopt, de laatste 3 (waaronder Hermanus Johannes) hervormd.
De ouders van deze Robertus zijn Robertus (BOS-40) en Aleidis Kunen (BOS-41). Deze Robertus was eerder in Leiden getrouwd met Sophia Lennaars en woonde daar in een straat genaamd Vrouwenkamp, maar was in 1786, 2 jaar na Sophia's dood, in Den Haag hertrouwd met de 13 jaar jongere Aleidis. Hij was meestertimmerman en woonde aan de Oude Langendijk in Delft, waar hij ook zijn winkel en werkplaats had. Hij bezat bovendien twee huizen aan de noordzijde van de Broerhuissteeg en drie percelen aan de oostzijde van de Beestenmarkt, in de hoek van het plein, nabij de Molslaan. Als timmerman zou hij betrokken zijn geweest bij de bouw van een Rooms Katholieke Kerk, waar hij de banken gemaakt zou hebben, waarschijnlijk betreft dit de kerk tussen de Oude Langendijk en Burgwal, toen nog St Josephkerk geheten en toen nog met de ingang aan de Oude Langendijk, een voorloper van de huidige Maria van Jessekerk, zeer nabij van waar hij woonde. Er bestaat een redelijk uitgebreide boedelbeschrijving van na zijn overlijden met daarin alle bezittingen en schulden.
Ook de vader van deze Robertus heette Robertus (BOS-80). Hij was in 1736 getrouwd met Johanna Maria Meijsmans (BOS-81), ze woonden lange tijd in de VanderMastenstraat. Waarschijnlijk is hij de Robbert Bonnaert die we in de archieven van de VOC tegenkomen: hij reisde in november 1729 naar Batavia (Robertus was toen 19 jaar), niet als bemanningslid, maar als passagier. Hij was aangesteld als timmerman in Batavia, maar keerde in 1734 weer terug in Delft.
Tenslotte is de naam van de oudst getraceerde voorvader van deze lijn ook Robertus (BOS-160), een soldaat die in 1700 in Delft trouwde met de weduwe Jannetje Gerrits Beeck (BOS-161). Hij kocht op 14 oktober 1706 een huisje in de Poppesteeg. In 1742 overleed hij, waarbij wordt vermeld dat hij "soldaat onder de invaliden" was. Voor oude en gehandicapte soldaten bestonden sinds 1726 vijf compagnieën "voor invaliden" in de garnizoensteden Delft, Woerden, Woudrichem, Naarden en Klundert. Deze "soldaten" konden meestal nog licht werk uitoefenen en ontvingen een uitkering voor bewezen diensten van "De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden" (bron: genealogieonline.nl - Aad van der Heiden).

BONGER, Lijsbeth Leenders (BOS-835)
was in 1636 in Rijswijk getrouwd met Jacob Davidsz Beun, een scheepsgezel die aan de Brabantse Turfmarkt woonde, hij overleed voor 1642. In 1644 hertrouwde ze met Laurens la Rath (BOS-836). Ze is een dochter van Leenert Jans Bonger (BOS-1670) en Gillisge Gillis (BOS-1671) en was afkomstig uit de Achtersack, de Verlengde Pieterstraat. Haar vader had het huis aan de zuidzijde van de Achtersack aan het begin van de 17e eeuw van de Kamer van Charitate gekocht voor fl 535.

BOOT, Trijntgen Joris (BOS-1129)
is een dochter van Joris Pietersz (BOS-2258) en Trijntge Jans (BOS-2259), zij woonden in de zuidzuide van de stad, aan de Geer, Molsteeg en later de zuidzijde van de Pieterstraat. Joris was eerst korenmeter en -drager, maar werd in 1621 aangesteld als stadstrompetter op het Stadhuis. Hij overleed in 1641 in het Oude Mannenhuis.

v.d.BOS, Wilhelmus Johannes (BOS-2)
is Hans z'n grootvader en was zoals vermeld bij "Crisisjaren" zadelmaker. Hij heeft dat beroep waarschijnlijk geleerd bij Dirk Robertus Bonardt, zijn oom, die dat beroep aan de Beestenmarkt in ieder geval in 1908 uitoefende. W.J. heeft hetzelfde pand betrokken, het tweede pand om de hoek van de Burgwal, een smal pand dat tegenwoordig is samengetrokken met het grotere hoekpand genaamd "Belvédère" waarvan het ronde torentje in het oog springt. Zo'n torentje is trouwens een typisch kenmerk van een zeer oud spiraalvormig trappenhuis (je treft het ook aan bij het pand op de hoek van de Cameretten en de Voldersgracht) en doet sterk vermoeden dat het onderdeel was van de oorspronkelijke burcht die grensde aan het Minderbroedersklooster. Het klooster, in de volksmond "het Broerhuis" genoemd, werd ten tijde van de Reformatie beschadigd. In 1595 werd het klooster gesloopt en het resterende plein gebruikt voor veemarkten, de Beestenmarkt (bron: Wikipedia).
Nadat hij zijn beroep als zadelmaker moest opgeven vestigde hij zich als groenteman in een hoekpand aan de Hof van Delftlaan, na zijn pensioen werd de winkel overgenomen door zijn oudste zoon (Koos) en verhuisde hij met zijn vrouw Elisabeth Knip (BOS-3) naar de Mackaystraat, alwaar hij op 82-jarige leeftijd overleed.
Zijn vader Johannes Wilhelmus (BOS-4) was schoenmaker. Toen hij met Elisabeth Bonardt (BOS-5) trouwde was hij inwonend bij zijn schoonouders, zo blijkt uit de bevolkingregisters. Elisabeth was toen hoogzwanger, 23 dagen na het huwelijk werd Hans z’n grootvader geboren. Ze woonden toen in de Gasthuislaan, maar nog in 1886 vestigde Johannes Wilhelmus zich op een eigen adres in de Gasthuislaan, een jaar daarna verhuisde de familie Bonardt naar de Beestenmarkt.
Van diens vader Willem Johannes (BOS-8) weten we dat hij ook schoenmaker was en op jonge leeftijd (22 jaar) trouwde in 1861 met de 21-jarige uit Steenwijk afkomstige Margaretha Beute (BOS-9). Ook zij was hoogzwanger, 5 dagen na het huwelijk werd Hans z’n overgrootvader geboren. Van de 9 kinderen die het paar kreeg, werden er 6 doodgeboren, een dag na de bevalling van haar laatste doogeboren kind overleed Margaretha, op 37-jarige leeftijd. Ze woonden in de Gasthuislaan. Margaretha's jongere broer, Marten, woonde enige tijd bij hen in.
De vader van W.J. was Johannes Wilhelmus (BOS-16), we treffen hem aan in de aktes als sjouwer en steenhouwersknecht, wonende in de Gasthuislaan. Hij is 48 jaar geworden. Zijn vrouw Magdaleena Verhaagen (BOS-17) was werkster. Ze was niet hoogzwanger bij hun trouwen in 1835, maar ruim een jaar voor het huwelijk werd een voorkind van niet-genoemde vader geboren, dat overigens binnen een kwartier na de geboorte overleed. In de geboorte- en overlijdensakte van dit kind wordt Willem van den Bos, een jongere broer van J.W., genoemd als getuige.
Jan Willem (BOS-32) de volgende voorvader in de tak, was steenhouwersknecht en metselaarsknecht. Angenieta of (roepnaam) Niesie Vileers (BOS-33) was zijn vrouw. Ze woonden in de Poppesteeg en later in de Achtersack, het verlengde van de Pieterstraat.
Jan (BOS-64), vader van de laatste was kleermaker. Hij was getrouwd met Willemina Jakoba Schindelaars (BOS-65). Ze woonden in de Gasthuislaan.
Adriaen (BOS-128), woonde ten tijde van zijn trouwen in de Vlamingstraat. Zijn vrouw was Johanna Mensert (BOS-129), ze trouwden op 8 mei 1729, exact 40 jaar na de trouwdatum van zijn ouders.
Diens vader Joris (BOS-256) was stoffenwerker en woonde aan het Oosteinde toen hij met Margrieta Pingart (BOS-257) trouwde. Op hogere leeftijd woonden ze in de Vlamingstraat en het Raam. Hij overleed op 87-jarige leeftijd.
Van zijn vader Jan Willemsz. (BOS-512) en zijn vrouw Arijaentje Jans (BOS-513) beschikken we over een akte van nalatenschap van zijn schamele boedeltje, zie ook: De Gouden Eeuw. Ze kregen samen 11 kinderen, van welk 5 nog in leven waren in 1677. Vermoedelijk hebben hun oudste zoon, Willem - die knoopmaker was - en diens vrouw Petronella Salomons de zorg op zich genomen voor de jongere kinderen.

v.d.BRANT, Anneken Ariens (GEEST-1519)
komen we in 1643 tegen in Delft toen ze trouwde met Jan Abrahamsz van der Bende (GEEST-1518). Zij en haar ouders woonden in het Noordelijk deel van de stad, bij haar trouwen woonde ze in de Vissteeg, toen ze overleed, woonde ze aan de Geerweg. Dankzij een weeskamerakte konden we haar ouders en de achternaam van haar vader vinden. Haar ouders waren beide afkomstig uit Antwerpen, ze woonden aan de zuidzijde van de Molenstraat.

d.BRUIJN, Willempge Jochems (BOS-1493)
kwam toen ze in 1665 trouwde uit Voorburg, maar toen ze overleed woonde ze buiten de Kethelpoort nabij Delft. Van haar ouders weten we niets, maar op basis van doopgetuigen weten we dat ze een broer Claes had die trouwde met Neeltge Cleiwegt, een zus van Trijntge Arents Cleiwegt (BOS-555) en dat ze een zus Pleuntge had die trouwde met Arent Does van der Gaegh, een broer van Maertie Does van der Gaegh (GEEST-1715).

BUIJS, Catharina Jans (BOS-553)
woonde in de Molsteeg (tegenwoordig Molstraat) toen ze in 1672 te Schipluiden trouwde, haar zus Wijve trouwde op dezelfde dag en lokatie. Ze verkeerde in Lutherse kringen, haar kinderen en die van haar ouders werden Luthers gedoopt. Haar ouders, Aeltje Hermans Nacke (BOS-1107) en Jan Jaspersz (BOS-1106) schreven zich in 1653, kort na hun trouwen in Rotterdam, in bij de "Gemeijnte I. Christij der Rechtsinnighe Lutershen" aldaar. Vier van hun kinderen zijn jong gestorven. Haar vader was al weduwnaar toen hij Aeltje trouwde, was moutmaker en bezat een huis aan de noordzijde van de Molsteeg (mout is ontkiemd en daarna gedroogd graan en vooral een grondstof voor bier). Gezien hun geloof en naam mogen we aannemen dat ze beide van Duitse komaf zijn.

v.d.BURGH, Heijltge Cornelis (BOS-1063)
trouwde in 1654 met Arien Harmensz van Rijsselberch (BOS-1062), ze kwam van een huisje naast de Nieuwe Kerk, waar haar ouders Maertje Pieters (BOS-2127) en Cornelis Jacobsz (BOS-2126) destijds woonden. Haar vader was in 1623 plateelbakker en in 1651 plateelschilder (op die lokatie wordt nog steeds handgeschilderd Delfts Blauw geproduceerd bij "De Candelaer" en "De Blauwe Tulp"). Nadat Maertje Pieters in 1651 overleed, hertrouwde Cornelis met Maertje Hendrickx en verhuisde hij naar de Doornikstraat (tegenwoordig Doorniksteeg), Heijltge, Cornelis' oudste dochter woonde naast hen. Opmerkelijk is dat vier kinderen van het eerste huwelijk in 1651 kort na zijn tweede huwelijk (alsnog) tegelijkertijd in de Nieuwe Kerk werden gedoopt. Bij Maertje Hendrickx verwekte Cornelis nog drie kinderen, zodat we zijn naam in 1671 voor een tweede keer tegenkomen in het weeskamerarchief, nu na zijn overlijden en voor de uit het tweede huwelijk verwekte minderjarige kinderen.
Cornelis' z'n ouders waren Barbara Gerrijts (BOS-4253) en Jacob Coenen (BOS-4252). Jacob was metselaar en woonde aan de Burgwal toen hij in 1587 trouwde, dit verklaart waarschijnlijk dat zijn nakomelingen de achternaam "Van der Burgh", of soms "Van der Burch" voerden, het gezin verhuisde later naar het Oosteinde.

CANEIJ, Frans Jansz (GEEST-376)
woonde rond 1705 in de Dirklangenstraat, net als zijn zoon Jan (GEEST-188) die schoenmaker was. Jan's kleindochter Adriana (GEEST-47) was fruitverkoopster.

v.CLEEFF, Jan Jansz (BOS-2754)
was soldaat in 1626.

CLOETINGH, Joris Andriesz (BOS-1036)
was in 1645 meester boekdrukker en -verkoper in Delft, net als zijn zoon Sijmon (BOS-518), broer Jan en diens zoon Andries. Het pand waar zowel Joris Andriesz als zijn zoon Sijmon gewoond hebben in de Hippolytusbuurt is tegenwoordig een restaurant: Bistro de Pijpenla. Het restaurant maakt reclame met de namen van de vorige eigenaren. In 1668 wordt Simon genoemd als kunstverkoper in "'t Vergulde Tafelboeck" aan het Noordeinde. Zijn oom Jan en neef Andries hadden hun winkel genaamd "'t Gulden ABC" aan de Markt, een pand dat nog steeds deze naam draagt.

v.ELTERENBERGH, Dirck Cornelisz (GEEST-756)
woonde aan de Verwersdijk, net als zijn schoonvader Cent Leendertsz v.HELDE (GEEST-1514) die brouwersknecht was. Dirck's kleindochter, Ariaentje (GEEST-189) woonde aan het Achterom.

d.HENGST, Jan Pietersz (BOS-556)
was afkomstig uit Delfshaven en woonde aan de Voldersgracht in Delft. Zijn zoon Pieter (BOS-278) was in dienst bij de V.O.C., hij wordt twee keer vermeld bij reizen met de Donkervliet naar Batavia, in 1701, resp. 1704, bij de eerste reis was hij nog gezel, bij de tweede was hij bosschieter (kanonnier).

HOUCKGEEST, Jan Ottensz (BOS-2200)
woonde in ca 1625 in de Doelenstraat. Daarna woonde daar zijn zoon Jacob (BOS-1100). Deze Jacob bezat tevens een perceel in de Molenstraat aan de noordzijde van de Verwersdijk en een perceel aan de Verwersdijk. Zijn zoon Pieter (BOS-550) erfde deze twee percelen.

HUIJGEBAERT, Carel Pietersz (BOS-5528)
woonde in de Yperstraat rond ca 1635, waar na zijn overlijden zijn vrouw Catalijna BOLLERTS (BOS-5529) en later ook hun zoon Pieter (BOS-2764) ging wonen. Deze Pieter bezat een pand aan de Vlamingstraat en was toen saaidrapier, een eigenaar van een draperie, waar ruwe wol werd omgezet in een afgewerkt produkt.

IJDINCK, Wessel (BOS-558)
woonde rond 1670 aan de Brabantse Turfmarkt op de hoek met de Pieterstraat en was soldaat.

KEERWEER, Arie Gerritsz (BOS-2230)
was in 1625 bierkruier en woonde buiten de Rotterdamse poort aan het huidige Werfpad.

LAMEIJ
De naam LAMEIJ is terug te voeren tot Jaques AMIJ (BOS-832) die in 1652 in Delft in de Franse (=Waalse) kerk trouwde met Anne Pieters Le FEBVRE. Na het overlijden van zijn vader (in 1661) werd hun enig kind Pieter (BOS-672) op 5-jarige leeftijd toevertrouwd aan de zorg van de weeskamer van Delft. Een lot wat hun kleinkinderen (in 1688) ook overkwam na het overlijden van hun vader. De ouders van hun achterkleinkinderen hadden in 1729 echter een dusdanig vermogen opgebouwd dat zij middels een notariële akte de weeskamer buiten konden sluiten. (Zonder testament zou vanzelf een beroep op de weeskamer worden gedaan, maar dit had ook als consequentie dat men afstand moest doen van al hun bezittingen, die kwamen na overlijden van één van de ouders automatisch toe aan de weeskamer.)
Jacob Pieterszn LAMEIJ (BOS-208) woonde in de Molstraat in ca 1710. Zijn kleinzoon Jacobus (BOS-52) woonde aan de Beestenmarkt op de hoek van de Korte Broerhuissteeg. Diens zoon Jacobus (BOS-26) was op de zelfde lokatie in 1832 broodbakker. De bakkerij lag naast een woonhuis dat op naam van zijn moeder Johanna GÖBEL (BOS-53) stond.

v.d.LEE, Arijen Jansz (BOS-672)
woonde in ca 1670 in de Gasthuislaan op de hoek met de Brabantse Turfmarkt. Zijn nazaat Philippus Johannes (BOS-42) was winkelier rond 1800.

LIGTENBERGH
Gerridtje Luchtenburgh (BOS-281) woonde bij haar overlijden, in 1729, aan de Geerweg in "de Schenkkan". Haar vader, Nicolaes (BOS-562) was afkomstig uit Coblenz en woonde ook aan de Geerweg, hij was zijn hele leven soldaat en diende voor de compagnie onder andere onder kapitein Moor in Ierland en onder kapitein Duijst. Dit blijkt uit een notariële akte waarin de getuigenis staat over het in Engeland weglopen van een bij de compagnie in dienst zijnde klerk. De betrokken klerk had de weeksoldij van de soldaten verspeeld met gokken, moest daarvoor boeten door met de handen aan de galg vastgebonden te worden, waarbij de voeten op paaltjes konden staan, maar werd daarna bij wijze van gratie als "slecht soldaat" weer aangenomen. Niet voor lang dus.
Op basis van deze getuigenis is het waarschijnlijk dat Nicolaas Ligtenberg lid was van de "Blauwe Garde" zie: wikipedia, die aan de zijde van Willem III tegen de Engelse en Ierse katholieken vocht. Dit is opmerkelijk omdat Nicolaas zelf katholiek was, hij liet twee van zijn kinderen dopen in de parochie van St Hippolytus aan het Bagijnhof.
Bij zijn trouwen, in januari 1678, maakte Nicolaas deel uit van een garde onder kapitein Hornbergh. Deze kapitein overleed in augustus 1678 bij de slag om Saint-Denis (bij Mons/Bergen) in België, waar Nicolaas dus waarschijnlijk ook bij zal zijn geweest.

v.OOSTERHOUT, Gerrit Jansz(BOS-560)
woonde in ca 1680 aan de Verwersdijk. Zijn zoon Jacob (BOS-536) woonde in de zuidwesthoek van de Beestenmarkt.

OOSTERWIJCK, Gijsbrecht Jorisz (BOS-1346)
was schipper rond 1630.

OUTSHOORN, Jacob Leendertsz (BOS-340)
was in ca 1705 eigenaar van 2 percelen op de hoek van de huidige Van Slingelandtstraat / Kwekerijstraat.

POELENBURCH, Jacobus Cornelisz (BOS-11068)
was in 1599 meester chirurgijn in Delft evenals zijn zoon Jacob (BOS-5534). Eerstgenoemde woonde in de Choorstraat en vermoedelijk later aan de Kolk. Zijn kleindochter Maeritgen (BOS-2767) woonde op de Markt vlakbij de Oudemanhuissteeg.

v.d.POST, Pieter Crijnen (GEEST-170)
bezat rond 1715 een perceel aan de Molslaan.

v.RIJSSELBERCH, Harmen Ariensz (BOS-2124)
was kuiper rond 1640, hij woonde in de Pieterstraat. Zijn zoon Arien (BOS-1062) woonde in het zelfde pand en bezat ook nog twee aangrenzende percelen.

v.d.ROER, Heijndrick Dirckszn (BOS-1114)
kocht in 1663 een pand in de Papenstraat, hij was koopman in potten.

ROMEIJN, Jan Claeszn (GEEST-84)
bezat rond 1740 percelen in de Harmenkokslaan, Hopstraat en het Rietveld.

v.SCHIE, Huibregt Amen (BOS-348)
bezat rond 1710 twee percelen in de Breestraat en één op de hoek van de Gasthuislaan / Pieterstraat. Zijn weduwe Neeltje SPANJERSBERGH (BOS-349) woonde aan de Lange Geer. Huibregt's grootvader Cornelis MICHIJELszn (BOS-1392) was bouwman en afkomstig uit Schie.

SIGON, Gerardus (GEEST-10)
was sjouwer in 1841 in Delft.

v.d.SLEIJDE, Jan Sipriaenszn (BOS-1034)
was houtkramer rond 1620, hij woonde aan de Markt.

SPANJERSBERGH, Cornelis Claeszn (BOS-2216)
was landarbeider en afkomstig van Schie. Drie takken Spanjersberg komen samen bij hem middels zijn drie zonen Pouwels (BOS-1108), Arijen (BOS-2420) en Cornelis (BOS-2984).
Pouwels bezat een aantal percelen aan de Rotterdamseweg. Zijn zoon Jan (BOS-554) was aardewasser even buiten de Rotterdamse Poort in Delft. Uit een Notariële akte uit 1690 van Delfshaven blijkt dat bij hem aarde voor de Delftse aardewerkindustrie werd aangevoerd uit Gent, Vlaanderen. Hij bezat twee panden aan het Achterom.
Cornelis zoon Arent (BOS-1492) woonde aan het Zuideinde.

SPROCKENBURCH, Jacob Maertenszn (BOS-1362)
was bouwman in ca 1630 en bezat een perceel aan de Gasthuislaan.

VERHAAGEN, Jan Teunisz (BOS-544)
was in 1675 soldaat in Delft. Hij woonde in de Vlamingstraat, evenals zijn zoon Wouter (BOS-272). Wouter's zoon Barent (BOS-136) woonde in de Pieterstraat. Diens kleinzoon Johannes (BOS-34) was plateelbakker, diens dochter Magdalena (BOS-17) was werkster.

VILEERS, Pieter (BOS-132) woonde in een vervallen pand aan het Achterom dat in 1767 door de Burgemeesteren aan hem werd geschonken.

d.VREE, Arent (BOS-270)
bezat rond 1720 twee percelen aan het Achterom en een pand op de hoek van de Giststraat / Lange Geer, waar later zijn weduwe Angeniesje v.WESTHOORN (BOS-271) bleef wonen en zijn schoonzoon Abraham v.RHOON (BOS-134).

v.WESTHOORN, Teunis Dirckszn (BOS-542)
bezat een perceel gelegen achter de hoek van de Giststraat met het Achterom. In zijn dochter Angeniesje v.WESTHOORN (BOS-351 = BOS-271) (zie ook d.VREE) komen twee takken samen, één tak vormt haar dochter Dirckie ACKERSDIJCK (BOS-175), uit haar huwelijk met Dirck ACKERSDIJCK (BOS-350). De andere tak vormt haar dochter Johanne d.VREE (BOS-135), uit haar huwelijk met Arent d.VREE (BOS-270).

WINGERTRANCK, Michiel Davith (BOS-422)
bezat in ca 1685 twee tegenover elkaar liggende percelen in de Hopstraat. Zijn vader voerde de achternaam OVAIN hetgeen werd veranderd in WINGERTRANCK. Hij was getrouwd met Jenne MEUNIER (BOS-423) wier naam veranderd werd in Jannetge MOLENAER.

Delftenaren in de Plateelindustrie

Het is met zovele voorouders die in Delft gewoond hebben haast vanzelfspekend dat een deel van hen voor de plateelindustrie hebben gewerkt, waar het beroemde "Delfts Blauw" werd (wordt) gefabriceerd.
Met name de volgende twee families die verwant zijn aan elkaar kennen een aantal familieleden die werkzaam waren in de plateelindustrie: Van HAMME en VERHAGEN. We komen hen tegen van het begin van de 17e eeuw tot aan het eind van de 19e eeuw.
Jan Janszn van Hamme (BOS-1094) die zelf schrijnwerker (meubelmaker) was, had een zwager Diert Jacobs die plateelschilder was en in de Broerhuisstraat woonde, een broer Wouter die plateelbakker was die aan de Beestenmarkt woonde en een broer Aerijen die plateelbakker was en in de Molslaan woonde. De laatste had een zoon Jan die van 1660 tot 1676 eigenaar was van plateelbakkerij "De Dubbelde Schenkkan" (bron: Delftse Plateelbakkers van het Lucasgilde, pg 90). Deze Jan vestigde zich in 1676 in Vauxhall in Engeland en nam 16 werklieden uit Delft mee (bron: Early English Delftware from London and Virginia - Noël Hume). Één van de 16 was Hendrick Jansz Baillij plateelbakkersknecht van werkplaats "Drie Postelijne Astonne". Deze Hendrick Jansz was de broer van Margueritte Baillij (BOS-545), die getrouwd was met Jan Theunisz Verhagen (BOS-544). Hun zoon Wouter Verhagen (BOS-272) was getrouwd met Krijntien Pieters van Hasselt (BOS-273), kleindochter van de eerstgenoemde Jan Janszn van Hamme.
Genoemde Jan Teunisz Verhaagen en Margueritte Baillij zijn waarschijnlijk de ouders van de enigszins beroemde mr plateelschilder Johannes Verhagen (vermoedelijk is hij de schilder die signeerde met IVH en van wie we werk vinden in het Rijksmuseum). Jan Teunisz is ook grootvader van Barent Woutersz Verhagen (BOS-136), plateelschilder, die weer vader is van de plateelschilder Barent Verhagen (BOS-68). Barent is vader van plateelbakker Johannis (BOS-34). Als laatste in deze keten zien we dat Johannis zijn zoon Barent Willem ook plateelbakker was (laatst genoemd in 1871).
Terugkomend op plateelschilder Barent Woutersz Verhagen: hij was getrouwd met Maghtelt van Beemen (BOS-137), haar broer Marinus was ook plateelschilder.
Ook de families De BLIJ en Van der LEE waren werkzaam in de plateelindustrie, in de weeskamerakte van Jan Thomasz de Blij (BOS-1376) van 1694, lezen we dat hij plateelschilder was, ook zijn zoon Daniel (BOS-688) was plateelschilder. De kleinzoon van Daniel, Jacobus (BOS-172) en diens zoon Jacobus (BOS-86) waren plateelbakker, net als de echtgenoot van diens dochter Dirkje (BOS-43): Philippus Johannes van der Lee (BOS-42). Deze Philippus Johannes is een zoon van plateelbakker Harmanus van der Lee (BOS-84) wiens overgrootvader Adrijaen Jansz (BOS-672) in 1680 plateeldraaier was. Er is een geboorteschaaltje van Pieter van der Lee bekend, zoon van genoemde Harmanus, uit 1774, niet in Delfts Blauw, maar Delfts Wit, met gouden letters en decoratie (zie VanderLee.net).
Jan Thomasz de Blij komen we tegen in een notariële akte van 1689 waarin hij samen met andere plateelbakkers- en schilders wordt genoemd als zijnde werkzaam voor Roqeurus Hoppestein, die eigenaar was van de plateelbakkerij "Het Oude Moriaanshoofd" gelegen aan de zuidzijde van de Gasthuislaan. Het Oude en Jonge Moriaanshoofd waren een afsplitsing van "Het Moriaanshoofd", deze worden allen geroemd om de hoge kwaliteit van hun producten. De beroemde Johannes Verhagen heeft gewerkt in "Het Jonge Moriaanshoofd".

Leidenaren

Veel voorouders van Henny hebben in Leiden geleefd, zowel enkele Joodse als een groter deel Hervormde voorouders, ook Hans kent een aantal voorouders (van vaders kant) die in Leiden hebben geleefd.
Leiden kende van oudsher een belangrijke lakenindustrie die een reputatie had vanwege de hoge kwaliteit van de daar geproduceerde stoffen en vanwege de gebruikte kleuren. De industrie zorgde voor internationale betrekkingen met vooral de Zuidelijke Nederlanden, Noord-Frankrijk en Engeland. Toen na de reformatie veel Calvinisten van Franse en Zuid-Nederlandse komaf naar Leiden vluchtten - naar verhouding was hun aantal aanzienlijk groter dan bijvoorbeeld in Delft - kreeg de Leidse lakenindustrie een enorme impuls, de stad groeide binnen honderd jaar tijd van ca. 15.000 inwoners (in 1574) tot 45.000 (in 1622) naar ca. 70.000 in 1670 (bron: wikipedia). Nieuwe stoffen werden geproduceerd, nieuwe technieken werden geïntroduceerd.
De voorouders van Albert z'n overgrootmoeder Johanna Blancher (HARST-11) waren voor een belangrijk deel werkzaam in de Leidse lakenindustrie.

ALTINGH, Josijntje (BOS-121)
had een tweelingzusje Engeltje. Ze woonde op de Langebrug in Leiden toen ze in 1756 met Johan Martin Opperhuijser (BOS-121) trouwde. Haar moeder Maria Breukel (BOS-243) wordt als getuige vermeld bij het huwelijk en woonde toen in Zwammerdam, dit was ook de plaats waar ze eind 1778 overleed. Haar vader Egbert (BOS-242) was in 1715 koetsier, maar in 1726 wordt hij genoemd als bedienaar van de kraan op het Waaghoofd te Leiden, hij was afkomstig uit Holten. Bij hun trouwen in 1715 woonden Egbert en Maria op het Korte Rapenburg.

BENNIN(G), Christina (HARST-45)
is grootmoeder van Johanna Blancher. Haar vader Jacob (HARST-90) was dekenmaker en woonde in de Krauwelsteeg (ca. 1970 opgegaan in de St Jorissteeg), zijn vader Willem (HARST-180) was ook dekenmaker maar woonde aan de Uiterstegracht, diens vader Jacob Teunissz (HARST-360) woonde daar eerder en was servetwever, net als zijn vader Teunis Jacobsz (HARST-720) die in 1673 in Leiden trouwde, maar afkomstig was uit Woerden. Vrijwel al hun kinderen werden in de NH Hooglandse kerk (wikipedia) gedoopt.
In de Steenstraat vind je nog altijd een naaimachinewinkel die de naam Benning voert, een familie die dus nog steeds min of meer in de stoffenindustrie zijn boterham verdient en waarschijnlijk verwant is aan de beschreven familie.

BLANCHER, Johanna (HARST-11)
is de moeder van Henny haar overgrootmoeder, Elisabeth Adriana Francisca Hase (HARST-5). Johanna werd 3 jaar voor het huwelijk van haar ouders in Den Haag geboren, maar werd bij het huwelijk gewettigd. Haar voorouders leefden voor een aantal generaties in Leiden, haar vader Louwie Anthonie (HARST-22) was met zijn ouders naar Den Haag verhuisd en trouwde daar in 1818 met haar moeder Alida Willemina Godvree (HARST-23). Zij waren kennelijk armlastig, want we komen hem tegen als kolonist in de (gesloten) veenkolonie Ommerschans, bij Ommen, waar hij in 1842 overleed. De kolonie van Ommerschans maakte deel uit van de werkkoloniën die door de "Maatschappij van Weldadigheid" waren gesticht, net als Veenhuizen was Ommerschans vooral een oord waar bedelaars en dronkaards (gedwongen) werden geplaatst (zie ook "Voorouders uit de kop van Overijssel"). De vader van Louwie Anthonie heette Hendrik (HARST-44), hij was geboren in Leiden, trouwde in Rotterdam, keerde terug naar Leiden, maar verhuisde naar Den Haag en overleed daar, hij was kleermaker van beroep, 2 van zijn broers Johannes en Pieter waren pruikenmakers. Hendrik's vader Paul (HARST-88) was in 1724 gedoopt in de Waalse kerk in Leiden, bijna alle kinderen van deze lijn die voor 1730 in Leiden werden gedoopt, werden in de Waalse kerk gedoopt. Paul was kousenmaker en woonde in de Coddesteeg. Zijn vader Jean (HARST-176) was ook kousenmaker en woonde aan de Langegracht. Tenslotte was Jean's vader, Paul (HARST-352) schrobbelaar, een beroep in de wolbereiding.

FLORQUIJN, Jeanne (BOS-839)
woonde aan de Langegracht, een straat die onderdeel was van een stadsuitbreiding van 1611, ze trouwde in 1643 in Leiden met Reijnier Hendricksz Bol (BOS-838), maar was reeds in 1628 in Leiden getrouwd met Nicolas Wihogne. Ze overleed waarschijnlijk in 1645, want Reijnier hertrouwde reeds in 1646. De familie Florquijn was afkomstig uit Aken, zo wordt vermeld bij de huwelijken van een broer en een nicht van Jeanne.

l.GRAND, Susanne (HARST-363)
is de moeder van ondergenoemde Maria van der Steen. Bij haar huwelijk, in de Hooglandse Kerk, heette ze "de Groot", maar haar vader Jean (HARST-726) voerde de naam "le Grand", o.a. in de doopboeken van 8 van zijn in totaal 9 kinderen in de (Frans/Waalse) Vrouwekerk (wikipedia). Na de dood van haar man Johannes Steen, hertrouwde Susanne in 1717 met Frederick Smith, ze woonde toen in de Breeport tussen de Vestestraat en de Uiterstegracht.

LAGERVEST, Barbel/Barbera Heijndricks (HARST-725)
is grootmoeder van Maria van der Steen. Haar vader Henrick Jacobsz (HARST-1450) was houtzager en afkomstig uit Weesp, hij trouwde Debora Jans (HARST-1451), die afkomstig was uit Colchester, Engeland, in 1610 in Leiden.

v.d.SCHIJF, Ariaentje (HARST-361)
is overgrootmoeder van Christina Benning. Ze was geboren in Woerden en woonde op de Uiterstegracht toen ze in 1694 met Jacob Teunissz Benning (HARST-360) trouwde, haar eerste echtgenoot Jan Pinjier, een lakenwerker, was jong overleden. Haar vader Casper (HARST-722) was reeds voor haar eerste huwelijk overleden, hetgeen blijkt uit een huwelijksakte in Leiden uit 1684 van haar moeder Meijnsge Jans (HARST-723). Meijnsge woonde toen ze met Andries Jansz Stroijsbergh trouwde in de Vrouwensteeg.

v.d.STEEN, Maria (HARST-181)
is grootmoeder van Christina Benning, haar vader Johannes (HARST-362) was vachtenbloter (vellenploter) en woonde aan de Uiterstegracht. Diens vader Jasper (HARST-724) was dekenmaker en woonde aan de Nieuwe Rijn - een kade in de binnenstad langs de noordzijde van de Nieuwe Rijn - hij is een zoon van wolkammer Jasper Jaspersz (HARST-1448) die bij zijn trouwen afkomstig was uit de straat genaamd Levendaal. Jasper Jaspersz vader Jasper Jansz (HARST-2896) was ook wolkammer en afkomstig uit het Noord-Franse Hondschote, zijn vrouw Cathelijne Duponsen (HARST-2897) was afkomstig uit het Noord-Franse Kassel.

Westlanders / Delflanders / Haaglanders

Een significant deel van de voorouders van Hans heeft wortels in de agrarische gebieden rondom Den Haag, Delft, Zoetermeer en Rotterdam. Familienamen uit deze regio die we in Hans zijn stamboom tegenkomen, zijn:
ACKERSDIJCK - BOEKESTEIJN - v.DUIJNEN - DIJCKXHOORN - v.GEEST - OOSTERLEE - OVERGAAG - v.SANTEN - v.SOLLEVELT - SPANJERSBERG - v.STAALDUIJNEN - v.VIJFSLUIZEN

ACKERSDIJCK

Twee takken van onze gecombineerde stamboom voerden de achternaam ACKERSDIJCK. De ene is die van Arent Hendricksz (BOS-2800), de ander die van Fop Leendertsz (BOS-5606) die ook de naam Van DIJCK voerde en waarvan de nazaten ook FOPPEN werden genoemd. De naam Ackersdijck is een toponiem, het is het gebied waar Arent en Fop woonden en een boerderij bezaten, nabij waar nu de Akkerdijkse plassen ten noorden van Overschie liggen.
Het huwelijk van Aem Arentsz (BOS-1400) met Neeltge Phillips van Dijcxhooren (BOS-1401) verbond beide families, Neeltge is dochter van Annetge Foppen (BOS-2803), dochter van de genoemde Fop Leendertsz. Aam Arentsz en Neeltge Phillips woonden aan de noordkant van de Kethelweg in Vlaardingerambacht, net als zijn vader was Aem een boer. Hij was tevens enige tijd achtman in Vlaardingerambacht (achtmannen waren aangesteld om het recht te handhaven binnen een ambacht, een kleine gemeenschap). Aam bezat een perceel weiland in de Babberspolder, ten zuidoosten van de Kethelweg. Na zijn dood werden zijn verlaten huis, schuur, hooiberg en boomgaard in 1674 voor 420 gulden verkocht. Zijn zoon Phillips Aamsz (BOS-700) verhuisde van Vlaardingerambacht naar de Madewerf, een boerderij in de Krakeelpolder bij Delft. Zijn zoon Dirck (BOS-350) woonde aan de Geer in Delft bij de Giststeeg toen hij stierf in 1717.

BOEKESTEIJN/BOKESTIJN

BOKESTIJN, Klaasje (BOS-93) overleed in 1832 in Monster, maar was geboren in De Lier. Haar vader Frank (BOS-186) woonde in Maasland, maar was ook geboren in De Lier. Al hun voorvaderen in rechte vaderlijke lijn die we konden traceren kwamen uit De Lier. De achternaam Bokestijn of Boekesteijn duikt eerst op in 1653 bij Pieter Pietersz (BOS-1488). Vóór die tijd voerden hij, zijn vader en grootvader de achternaam Verhoeck/Verhouck. Pieter Pietersz had in 1652 een boomgaard aan de Burgerdijkseweg in De Lier gekocht op een stuk land waar in de Middeleeuwen ooit een Mottekasteeltje genaamd "Boekesteijn" had gestaan. Het kasteel was lang geleden verwoest - waarschijnlijk bij de Hoekse en Kabeljauwse twisten (Bron: Westlands Streekhistorie - 2007, jaargang 16, nr 4, pg 4 - Krijn van Dijk).

het dorpje 't Woudt
het unieke dorpje 't Woudt

't Woudt

Meerdere voorouders zijn afkomstig uit wat tegenwoordig het kleinste dorp van Nederland is:

v.d.BURCH, Maritge (BOS-4155)
is geboren rond 1545. Ze trouwde eerst (na 1570) met Jacob Vossenhol (BOS-4154) en hertrouwde na diens overlijden met Gijsbrecht van der Cruijce. Haar vader Aem Heijndricksz (BOS-8310) was eerst getrouwd met Catharina Louris van Spangen en later met Ariaentge Willems de jonge van Dort (Dordrecht) (BOS-8311). Bij de eerste verwekt hij 2 dochters, bij de laatste - de moeder van Maritge - 6 zonen en 5 dochters. Aem was een voornaam man, in 1536 kocht hij samen met zijn rijke schoonvader Laurens Pietersz van Spangen een boerderij aan de noordzijde van de Woudseweg. In 1543 woonde hij aan de noordzijde van de Binnenwatersloot in Delft, hij was veertigraad (1540), schepen (1545), buitenhavenmeester (1546), weesmeester (1554) en thesaurier (1556) van Delft en een succesvol koopman die handelde in graan, kaas en wijn. Hij overleed vóór 1558, alle 11 kinderen van Adriana waren toen nog minderjarig.
Maritge's vermoedelijke grootvader Heijndrick Aemsz woonde op de lokatie waar nu de Hofwoning ligt in 't Woudt, de meest voorname woning van het dorp. De woning werd eerder door diens vader Aem Heijndricksz bewoond. Van hem en zijn vrouw Margriet Jan Sijmons (Heerman van Oegstgeest) is nog een grafsteen te vinden in de Woudtse kerk. Van deze Aem, een leenman (een term die teruggaat tot het middeleeuwse feodale systeem waarbij een leenheer zijn land voor gebruik uitleent aan leenmannen die hiervoor een periodieke vergoeding betalen), die ook "Aem vader" genoemd werd, bestaat de anecdote dat hij in ca. 1475 zijn 12 volwassen zonen aan de Graaf van Holland (de leenheer) aanbood toen deze het dorp bezocht, een gegeven dat werd vastgelegd in een ets van Reinier Vinkeles (I), naar Jacobus Buys, 1795.
bron (o.a.): 't Woudt - De rijke geschiedenis van het kleinste dorp van Nederland - Jacques Moerman

VOSSENHOL, Pietertje (BOS-2077)
was dochter van Jacob Vossenhol (BOS-4154) en Maritge van der Burch (BOS-4155). Pietertje had een broer Adam, een huidenvetter en looier, van wie de nodige akten te vinden zijn in Delft en die de relaties duidelijk maken.

DISSIUS, Jacobus Arentsz (BOS-1038)
was dominee in 't Woudt van 1623 tot 1662. Hij woonde met zijn vrouw Maria Jansdr v.STARRENBURCH (BOS-1039) in de Voorstraat te Delft. Zijn zoon Abraham en dochter Jannitge (BOS-519) trouwen gelijktijdig met kinderen van Joris CLOETINGH (zie Delftenaren). Abraham wordt net als zijn schoonvader en zwager meester boekdrukker, in 1651 koopt hij "'t Gulden ABC". Jacobus' vader Arent Maertensz (BOS-2076) was lakenbereider in Delft.

Schie

Meerdere voorouders kwamen uit wat in akten "op Schije" werd genoemd, meestal wordt hier verwezen naar het gebied ten zuiden van Delft, ten noorden van Overschie langs de oostkant van de Schie, dus aan de kant van de Rotterdamseweg, maar soms wordt ook de andere kant van de Schie meegenomen, langs de Schieweg.

v.d.BURCH, Adam Heijndricksz (BOS-2786)
zijn naam komt overeen met die van "Aem vader" en diens kleinzoon die bij 't Woudt zijn beschreven, mogelijk is er een link naar die stam. Deze Adam was in 1587 getrouwd met Pleuntgen Dammisdr (BOS-2787), ze waren toen beide afkomstig uit Delfgauw, later vinden we dat ze buiten de Kethelpoort woonden en in 1612 kocht hij een huis in de Dirck Walingspoort aan het Zuideinde. Zij hadden 9 kinderen, 8 dochters en 1 zoon, van wie we 3 dochters tegenkomen die elk een tak van Hans z'n stamboom vormen. Het betreft Marijtge Adams (BOS-2801), Aeltgen Adams (BOS-2161) en Hendrickge Adams (BOS-1393). We komen de namen van alle 9 kinderen tegen in een akte van nalating die na het overlijden van de weduwe Pleuntgen Dammis werd opgesteld op 8 november 1638 in Herberg "Maria Maddalena".

Ter Heijde

Van een aantal families is gevonden dat ze afkomstig waren van Ter Heijde. Dit vlak achter de duinen gelegen dorpje dat genoemd is naar een oude zijtak van de Maas "de Heij" werd rond 1600 bevolkt door zo'n 140 gezinnen waarvan toen ongeveer drie kwart afhankelijk was van de visserij. Tot 1667 beschikte het niet over een eigen kerk (wel een kapel), veel van hun dopen komen we tegen in de doopboeken van Monster en soms 's-Gravenzande, waar we dan steevast de vermelding "op den Heij" tegenkomen.

BURGER, Gillis Ariensz (BOS-1472)
was getrouwd met Rusje Cornelis (BOS-1473). Zijn zoon Cornelis (BOS-736) trouwde in 1672 met de ook uit Ter Heijde afkomstige Annetie Cornelis van Duijnen (BOS-737). Reeds enkele jaren na zijn huwelijk overleed Cornelis, want Annetie hetrouwde reeds in 1676 met Cors Cornelisz Hoogenraad en kreeg bij hem nog 8 kinderen. Ook Cornelis Cornelisz (BOS-368) woonde op Ter Heijde, maar woonde korte tijd na zijn huwelijk in Rotterdam. Het huwelijk van diens zoon Cornelis (BOS-184) in 1725 vinden we ook in de kerkboeken van Ter Heijde. Zijn zoon Willem (BOS-92) trouwde in 1747 in Monster, ook zijn zoon Franck (BOS-46) trouwde daar, in 1774. Van hem weten we dat hij marktschipper was, die dus marktgoederen per boot verscheepte, vermoedelijk binnen het Westland. Zijn dochter Wilhelmijna (BOS-23) werd in 1806 in Monster geboren.

Overigen die binnen de zelfde regio leefden

BACKER, Stijntge Dircks (GEEST-1051)
is een dochter van Dirck Adriaensz (GEEST-2102) die vrachtschipper was in 's-Gravenzande in het begin van de 17e eeuw, net als haar echtgenoot Frans Arijensz de Bije (GEEST-1050). Haar ouders woonden in de zuidhoek van de Hoflaan in 's-Gravenzande.

d.BRUIJN, Maritje (GEEST-129)
werd in 1705 te Naaldwijk gedoopt. Haar vader Jacob IJsbrandsz (GEEST-258) was tuinder, hij was geboren in De Lier, maar verhuisde naar Naaldwijk en later Wateringen. Hij was eerst getrouwd met Maria van Cleef (GEEST-259), maar 10 jaar na haar overlijden hertrouwde hij in 1734 met Annetje van der Krans. Jacob's ouders IJsbrand Cornelisz (GEEST-516) en Geertje Jacobs (GEEST-517) waren afkomstig uit De Lier.

BRUNSWIJCK/d.BRUIJN, Annetje Teunis (BOS-359)
is zeer waarschijnlijk de dochter van Teunis Pietersz Brunswijck (BOS-718) (die ook "De Bruijn" werd genoemd) en Maertje Huijbrechts van Rijn (BOS-719). Annetje was in 1658 geboren in 's-Gravenzande, haar vader werd geboren "op de Nol", met andere woorden, in de "Nolwoning", een boerderij die aan de voet stond van de Maasdijk waar deze de Nolweg raakt. Het vermoeden bestaat dat deze (Teunis Pietersz) de zoon is van Pieter Jansz (de Oude) en Trijntje Adriaens van Geest, daarmee zou hij de eerst gevonden verbinding vormen tussen de voorouders van Hans zijn vader en die van Hans zijn moeder, immers deze Trijntje was kleindochter van Claes Adriaensz van Geest (GEEST-2048), de oudste voorouder in rechte vaderlijke lijn van Hans zijn moeder. Er is echter nog een goede kandidaat, Pieter Gillisz, waarvan we zelfs de doop van een zoon Teunis vinden, in 1632 in Overschie, hij was getrouwd met Jannetje Teunis Sterrenburch en waarschijnlijk een neef van Pieter Jansz (de Oude).
De naam Bru(ij)nswijck lijkt een verbastering van het Duitse Braunschweig.

v.CLEEF, Maria (GEEST-259)
is dochter van Hendrik (GEEST-518) die meesterchirurgijn was in Honselersdijk, haar moeder is onbekend. Hendrik hertrouwde in 1704 te Wateringen met Elisabeth Nieuveld.

v.d.VALCK, Leuntjen Leenderts (GEEST-271)
werd in 1678 gedoopt in Monster als dochter van Leendert Cornelisz (GEEST-542) en Neeltje Jans Brinx (GEEST-543), zij kwamen beide ook uit Monster.

BURGER, Frank (BOS-46)
was marktschipper in Monster in 1814.

DOCKUM, Ridder Heijndricksz (GEEST-4280)
was afkomstig uit Opmeer (NH), kocht in 1579 huis, schuur, berg en geboomte, gelegen in de Holierhoeksepolder onder Vlaardingerambacht. Zijn zoon Cornelis (BOS-6236) was bouwman in de Broekpolder te Vlaardingen.

v.GEEST, Claes Adriaensz (GEEST-2048)
woonde op de geest te Naaldwijk, was daar schepen.

v.d.LINDEN, Dirk (BOS-22)
was in 1835 metselaarsknecht in Naaldwijk.

v.SANTEN, Willem Huijbrechtsz (BOS-2978)
was schoenmaker en met regelmaat schepen in De Lier in de periode tussen 1627 en 1651.

SCHIPPER, Frederik Huijgensz (GEEST-574)
was zeeman uit Ter Heijde en rond 1675 schepen en armmeester te Monster.

v.STAALDUIJNEN, Joachim Pietersz (GEEST-572)
was rond 1675 bouwman en duinmeier (opzichter) op Staalduinen, bij Zandambacht.

People from the new cities of Holland

Amsterdam, Den Haag en Rotterdam zijn nu de grote steden van Holland, sommige van onze voorouders hebben daar geleefd.

Hagenaars

De familie van Henny's vader en enkele loten uit Hans zijn voorouders hebben in Den Haag gewoond.

ABERDAANS, Elisabeth (BOS-131)
is de moeder van Willemina Jakoba Schindelaars (BOS-65). Jacobus Abberdaens en Elizabeth Meijer zijn waarschijnlijk haar ouders. Ze huwden elkaar in 1696 in Den Haag, hij als weduwnaar, zij als jongedochter, Jacobus had toen al twee kinderen uit een eerder huwelijk. Elizabeth de Meijer wordt één keer in het doopboek genoemd als een getuige van de doop van Elisabeth's kind Jan Jakob Schindelaars. Doopverslagen van kinderen van Jacobus konden niet gevonden worden, noch zijn eerdere huwelijksakte.
De naam lijkt een toponiem verwijzend naar Aberdeen, Schotland. In de Nederlandse archieven verschijnt de naam vooral in West Noord-Brabant, in de omgeving van Geertruidenberg, Raamsdonk, Sprang-Capelle en Etten-Leur.

v.ALKEMADE, Maria (GEEST-107)
werd in 1753 in Loosduinen geboren. Haar vader Pieter (GEEST-214), grootvader Arie (GEEST-428), en overgrootvader Daniel Huijbertsz (GEEST-856) zijn allemaal in Loosduinen geboren. We konden niet meer details over hen vinden.

ASSBERGS, Maria Alida (GEEST-13)
had zes vóórkinderen - geboren voordat ze trouwde - die waren geboren tussen augustus 1865 en mei 1872, maar van hen waren enkel de oudste, Catharina Wilhelmina en jongste, Maria Hendrika Johanna, nog in leven toen ze in 1872 trouwde met Henricus Wijnants (GEEST-12). Henricus erkende beiden als eigen kind.
Maria Alida was wasvrouw en werkster, haar vader Franciscus (GEEST-26) was koetsier, zijn vader Joannes Josephus (GEEST-52) was koper- en geelgieter (gieter van messing), zijn vader Pieter Antonius (GEEST-104) steenzager, hij vestigde zich in Den Haag en was afkomstig uit Duitsland.

BOUMAN, Dorothea (GEEST-105)
was gedoopt in de RK kerk in de Oude Molstraat. Haar vader was afkomstig uit Renswoude en wordt genoemd onder de noemer buitenbeentjes.

BURCHEIJNDE, Maria Cornelis (GEEST-409)
het lijkt er sterk op dat ze de dochter is van Cornelis Krijnen en Maria Bartholomeus. Cornelis was zoon van Krijn Leendertsz Pott en Pleuntge Cornelis Burcheijnde. Krijn – en zijn nageslacht – nam dus de achternaam aan van zijn vrouw hetgeen blijkt uit het "Repertorium op de lenen van de hofstad Made".

GODFRIED, Alida (HARST-23)
was mutsenmaakster.

v.d.HARST, Dominicus Petrus (HARST-2)
was kellner o.a. in Hotel Centraal te Den Haag, hij trouwde in 1890 met de Engelse Mary Isabel STEVENS (HARST-3).

WIJNANTS, Henricus Marinus (GEEST-6)
was o.a. bierkruier en lantaarnopsteker rond 1900 in Den Haag.

Amsterdammers

AMMAN, Jan (BOS-298)
vestigde zich in Amsterdam en trouwde daar met Engeltje Neetman (BOS-299) in 1699. Zijn trouwakte vermeldt dat hij afkomstig was uit Hoogkerke - vermoedelijk is dit het Groningse Hoogkerk - en dat hij het beroep uitoefende van tabakskerver. Hij en zijn vrouw waren van de Lutherse religie en woonden in de Jordaan, in de Tuinstraat en Anjeliersstraat.

Rotterdammers

NACKE, Aeltje Hermans (BOS-1107)
woonde bij haar trouwen, in 1652, in de Hoogstraat. Ze hertrouwde in 1675 in Delft, 6 maanden na het overlijden van Jan Jaspersz Buijs (BOS-1106) met de weduwnaar Gerrit Abrahamsz van Schie, een "varend man". Ze woonden in Delft bij de Leeuwenpoort, nabij de Oostpoort.

Brabanders en Limburgers

Een aanzienlijk aantal - voornamelijk katholieke - voorouders van Henny's vader en Hans z'n moeder komt uit de zuidelijke provincies Noord-Brabant en Limburg.

v.BEECK, Maria Ansems Arde (GEEST-97)
is een dochter van Anselmus Arde van Beeck (GEEST-194) en Joanna Dircks van Veghel (GEEST-195), ze woonden in Rosmalen, bij Den Bosch.

BOOGERS, Maria (HARST-9)
was de vrouw van Gerardus Hendrik van der Harst (HARST-8), overgrootouders van Albert en geboren en getogen in Den Haag. Ook haar vader Abraham (HARST-18) was geboren (in 1796) en getogen in Den Haag, hij was bleker en later vuilnisman, net als zijn vader Willem (HARST-36). Willem was geboren in Strijp, tegenwoordig een stadsdeel van Eindhoven, en trouwde in 1791 in Den Haag met Helena Mewissen (HARST-37). Diens ouders Abraham (HARST-72) en Petronella Vlemings (HARST-73) trouwden in Blaarthem, vroeger een kerkdorp, tegenwoordig een buurt in een ander stadsdeel van Eindhoven. Vermoedelijk was Petronella dochter van de uit de nabijgelegen dorpen Lierop en Mierlo afkomstige Arnoldus Henricus en Maria Willibrordus Verberne. Van Abrahams ouders Hubertus (HARST-144) en Anthonia van der Vorst (HARST-145) weten we alleen dat ze uit Strijp kwamen.

BRENTIENS, Gertrudis (HARST-303)
werd in 1660 geboren in het Limburgse Echt. Ze is dochter van Joannis (HARST-606) en Petronella Meuissen (HARST-607) van wie we 8 dopen vonden, alle te Echt.

BRULS, Elisabeth (GEEST-1011)
trouwde in 1711 in de Lambertuskerk te Oirsbeek, ze was afkomstig uit het nabijgelegen Doenrade, een grensdorp ten zuiden van Sittard.

BUIJDELS, Elisabeth (HARST-599)
trouwde in 1649 in Susteren, een grensdorp ten noorden van Sittard.

v.GRAMSBERGEN, Catarina (HARST-183)
was afkomstig uit Maastricht toen ze in 1707, in Amersfoort trouwde met Johannes Vernoij (HARST-182).

Zuiderlingen

Met name in de tak van zowel Henny's als Hans z'n vader, maar ook in Hans moeders tak komen we voorouders tegen die afkomstig zijn uit het Zuiden, d.w.z. het huidige België en Frankrijk.

Voorouders uit Spa en omgeving

Vanwege de goede ontsluiting van de archieven van Spa door Georges Heuse op zijn website www.spahistoire.info hebben we een flink aantal voorouders van Hans zijn moeder gevonden die uit de omgeving van Spa kwamen. Zij zijn allemaal voorouders van Toussaint Dawance (GEEST-50):

BREDAR/l.LOUP, Barbe (GEEST-401)
overleed op 27 april 1703 in Spa, ze was getrouwd met Nicolas Dawans (GEEST-400). Haar achternaam le Loup, oftewel "de wolf" was een bijnaam die teruggaat tot haar overgrootvader Remacle le Loup (GEEST-3208), maar ook de oudst traceerbare voorvader in rechte lijn: Collin le LOUP de BREDA (GEEST-102656), die aan het begin van de 14e (!) eeuw leefde, voerde de naam le Loup, maar daarnaast ook de achternaam Bredar of "de Breda". Afgaand op de bevindingen van Georges Heuse was hij één van de stichters van het stadje Spa.
De vader van Barbe, Henry Henry (GEEST-802) was meestersmid en luitenant van het Markiezaat van Franchimont. Het Markiezaat (of Markgraafschap) omvatte Spa, Sart, Jalhay, Theux en Verviers en viel toen onder het prinsbisdom Luik (zie: wikipedia). Zijn vader Henry Remacle (GEEST-1604) was ook meestersmid maar daarnaast nog schepen en later burgemeester van Spa. Diens vader Remacle (GEEST-3208) was eveneens meestersmid en griffier te Spa. Zijn vader Anthoine (GEEST-6416) was eveneens meestersmid, hij droeg de bijnaam "le Leu". Zijn vader Collin (GEEST-12832) was meestersmid en voerde de achternaam Bredar en bijnaam "le Petit Collin", waarschijnlijk omdat zijn vader ook de naam Collin (GEEST-25664) voerde, die was naast meestersmid ook schepen en burgemeester van Spa. Trouwens, niet alleen zijn vader, maar ook zijn grootvader en overgrootvader voerden de voornaam Collin.
Van "le Petit Collin" stammen 3 takken af, naast genoemde Anthoine was dat diens zus Gillette (GEEST-12865) die trouwde met Mathy Xhrouwet (GEEST-12864) en zijn stiefbroer Johan (GEEST-6512), die de bijnaam "Me Grand Seur" voerde. Jongste telg in deze lijn is Anne Marck (GEEST-407) die in 1679 in Spa trouwde met Lambert Counet (GEEST-406). Haar vader was Collin Marck (GEEST-814), zoon van Marck Collin Me Grand Seur (GEEST-1628), van wie alle afstammelingen de achternaam "Marck" aannamen. Zijn vader Collin (GEEST-3256) was zoon van eerdergenoemde Johan. Bovendien had deze Collin een zus Jehenne (GEEST-6439) die we tegenkomen als voormoeder.
Tenslotte is er nog een tak die enigszins onzeker is en die vermoedelijk afstamt van een zoon genaamd Johan van de overgrootvader van "le Petit Collin", het betreft Margueritte Wilkin (GEEST-1629), de echtgenote van de eerder in de Bredar tak genoemde Marck Me Grand Seur. Zij was dochter van Jacques Wilkin (GEEST-3258). Vermoedelijk was hij zoon van Wilkin Collin die zoon was van Collin "le Grand Collin". Zijn vader heette Thomas die zoon was van genoemde Johan.
Beroepen van de personen in de zijtakken zijn niet bekend.
Afgaand op de beroepen van de volledige tak lijkt het erop dat er relatief veel smederijen binnen Spa waren. Dat hangt waarschijnlijk samen met de bronnen waar Spa zo beroemd door is geworden en die behulpzaam zijn bij het koelen van het ijzer na het smeden.
Bron: www.spahistoire.info.

BROGNARD, Catherine (GEEST-6417)
was de vrouw van Anthoine Bredar (le Leu). Haar vader droeg de voornaam Pierre.

DAWANCE, Toussaint (GEEST-50)
vestigde zich aan het eind van de 18e eeuw in Den Haag, komende van Spa.

Zuiderlingen die zich in de 16e en 17e eeuw in Nederland vestigden

Aan het einde van de 16e en in het begin van de 17e eeuw - de tijd dat de Spanjaarden huishielden in de Calvinistische streken - vestigden zich veel immigranten uit het zuiden in het gebied dat nu Nederland wordt genoemd, met name in de westelijke steden: Amsterdam, Haarlem, Middelburg, Rotterdam en Leiden. Velen van hen waren dus calvinisten, aanhangers van Jehan Calvin / Cauvin, een hervormer die kan worden beschouwd als één van de belangrijkste grondleggers van de Nederlands-Hervormde kerk. Deze nieuwkomers zorgden voor een enorme economische opleving, die wordt aangeduid als "Gouden eeuw", die op zijn beurt een stroom migranten teweegbracht die om economische redenen kwamen. Het is moeilijk om de een van de ander te onderscheiden.
In Leiden was de instroom extreem, het inwonertal steeg tussen 1575 en 1622 van 15.000 naar 45.000, in Delft was die groei een stuk minder sterk, van 18.000 naar 22.000 (bron: De Zuidnederlandse immigratie 1572-1630 - Dr. J. Briels - 1978). In de beginfase van de migratie (rond 1575) was Delft namelijk veel terughoudender met het toelaten van de vreemdelingen, maar wat later (ca 1595) werd het juist aantrekkelijk gemaakt voor hen om ook naar Delft te komen.
Veel van de nieuwkomelingen waren afkomstig uit Artois, Vlaanderen en Hainaut (Henegouwen), graafschappen die oorspronkelijk onderdeel waren van de Habsburgse Nederlanden (ook wel de "Zeventien Provinciën" genoemd). Het graafschap Artois had als hoofdstad Arras (Atrecht) en kende een uit de middeleeuwen stammende lakenindustrie en tapijtweverij, het was dus niet verbazingwekkend dat ze zich juist in Leiden en Delft vestigden (zowel Leiden als Delft had deze binnen de poorten). (bron: wikipedia).
De nieuwkomers namen echter ook hun kennis mee om nieuwe industriën te stichten, de plateelindustrie (Delfts-Blauw) is hier een voorbeeld van.

BAILLIJ/BALIJFF, Margueritte (BOS-545)
was van Waalse of Franse afkomst, dat kunnen we wel afleiden uit het feit dat alle dopen van de kinderen van haar ouders, Jean (BOS-1090) en Catherinne Fosse (BOS-1091) hebben plaatsgevonden in de Waalse kerk te Delft. Jean was soldaat toen hij in 1637 te Delft trouwde.

BLANCE/BLANCHE, Paul (HARST-352)
was werkzaam in de Leidse lakenindustrie als schrobbelaar en afkomstig uit de Languedoc, zo wordt vermeld in zijn trouwakte van 1698. Zijn vrouw Susanna van Neth (HARST-353) kwam uit het Noord-Franse Guise.

BOLLERTS/BOLLE, Catalina (BOS-5529)
trouwde in 1585 in Leiden met Carel Heugebaerts (BOS-5528). In hun trouwakte wordt vermeld dat beide uit het Vlaamse Nieuwkerke kwamen, vlakbij het Franse Belle. In 1605 woonden ze in het huis genaamd "de Kloot" aan het Oosteinde in Delft. Tenminste zo wordt vermeld in begraafaktes waarin de dood wordt gemeld van 5 van hun kinderen en haar echtgenoot, ze overleden binnen een week, waarschijnlijk slachtoffers van de pest. Catalina overleed op hoge leeftijd (boven de 80) in 1647 en woonde toen in de Achtersack.

BOURGO, Marie (HARST-717)
trouwde in 1646 in Leiden met Jean del Tombe (HARST-716). Van Marie wordt slechts vermeld dat ze afkomstig was uit Artois en woonde in de Breestraat te Leiden.

v.d.BRANT, Arien Ariensz (GEEST-3038)
was zoon van Adriaen Adriaensz en Elisabeth Jans en in 1608 te Rotterdam getrouwd met Tanneken Jans (GEEST-3039). Bij hun trouwen in 1608 wordt van beide gemeld dat ze afkomstig waren uit Antwerpen, dit wordt bevestigd door een Delftse poortersakte uit 1621, hierin wordt tevens zijn beroep van tijkwerker genoemd. Tijk was een grove linnen stof die o.a. werd gebruikt voor het overtrekken van bedden.

v.d.BUSSCHE, Catelijntge Jans (BOS-5689)
is de moeder van Guillaume d'Ogiers (BOS-2844) en woonde in Haarlem. Nog in 1642 wordt zij genoemd als erflater van een huis aan het Oosteinde in Lisse. In een index van testamenten van doopsgezinden uit Haarlem komen we haar ook tegen, in 1604 had zij een testament op laten maken waarin wordt vermeld dat ze al haar goederen (dus de boedel van haar huis) naliet aan de armen. Deze index vermeldt ook dat ze afkomstig was uit Oostrozebeke (ruim 10 km ten Noorden van Kortrijk, België). Haar vermoedelijke vader Jan komen we tegen in de "Memoriael van de overkomste der Vlamingen hier binnen Haerlem" waarin wordt vermeld dat hij afkomstig was van tussen Meenen en Yperen (ca. 15 km ten Westen van Kortrijk).

l.GRAND, Jean (HARST-726)
was lakenwerker en afkomstig uit Amiens, zijn vrouw Esther Willemo (HARST-727) kwam uit Calais, ze trouwden in 1653 in Leiden.

STEEN, Jasper Jansz (HARST-2896)
was wolkammer en kwam uit Hondschote in Noord-Frankrijk, zijn vrouw Cathelijne Duponsen (HARST-2897) was afkomstig uit het Noord-Franse Kassel, ze trouwden in 1602 en vestigden zich in Leiden.

v.HURCK, Frans Pietersz (BOS-5532)
was in 1590 lakenbereider in Delft, afkomstig uit Antwerpen. Zijn zoon Frans (BOS-2766) oefende hetzelfde beroep uit en bezat tevens een pakhuis aan het Rietveld te Delft. Beiden hebben gewoond in de Kerkstraat, aan de noordzijde van de Nieuwe Kerk.

JOLIJ, Jean (GEEST-62)
was strohoedenmaker in Zutphen en afkomstig uit het Belgische Wonck in het Jekerdal.

MENSAERT, Anthonis Markusz (BOS-516)
was slotenmaker en smid in Delft, afkomstig uit Bergen op Zoom. Hij woonde in ca 1650 aan de Oude Delft, vlakbij de hoek met de Binnenwatersloot. Net als zijn vrouw Marijtge v.d.SLEIJDE (BOS-517) overleed hij op jonge leeftijd. Hun zoon Johannes (BOS-258) woonde in de Choorstraat op de hoek met de Papenstraat.

v.TAERTEN, Adriaen (BOS-5530)
was afkomstig uit het Vlaamse Diksmuide. Hij trouwde in 1587 te Leiden met Maeyken Michiels CORDIER (BOS-4431) die afkomstig was uit het nu Franse Hondschoote. Zij verhuisden naar Delft.

Duitsers

Verspreid over de stamboom van Henny's vader en Hans zijn vader en moeder komen we voorouders van Duitse afkomst tegen, d.w.z. uit regio's die tegenwoordig in Duitsland liggen, een flink aantal komt uit de grensregio's, waar soms (zoals in de Hertogdommen Kleef en Gulik) tot in de 18e eeuw Nederlands of Nederrijns-Diets dialect werd gesproken. Hun familienamen zijn:

ÄHLEN, Jan-Bernd (GEEST-38)
was arbeider en woonde in de omgeving van Hannover. Zijn dochter Anna Margaretha Engel (GEEST-19) vestigde zich in Delft.

ASSBERGS, Pieter Antonius (GEEST-104)
was afkomstig uit de omgeving van Düsseldorf, hij vestigde zich vóór 1795 als steenzager in Den Haag. Zijn nazaten bleven in Den Haag wonen.

BAUMANN, Susanna Veronika (BOS-55)
overleed in 1818 aan de Hooikade in Den Haag op 64-jarige leeftijd aan een longziekte.
Bijna alle mensen die de achternaam Baumann dragen die we in de stadsarchieven van Den Haag aantreffen stammen af van Samson Gottlieb Baumann en Maria Barbara Fährlin. Zij waren van de Lütherse religie en afkomstig uit Neuenhaus resp. Schaffhausen in het grensgebied van Duitsland/Zwitserland. Over deze familie is veel informatie te vinden, van Samson Gottlieb bestaat zelfs een afstammingsreeks die terugvoert tot Karel de Grote. Hans zijn voorouder Susanna Veronika Baumann is zeer waarschijnlijk dochter dan wel nicht van deze Samson Gottlieb. Zij trouwde met Johannes Jurrien Smit (BOS-54), die hetzelfde beroep uitoefende als Samson Gottlieb, nml. barbier/chirurgijn, bij haar huwelijk wordt vermeld dat ze afkomstig was uit Namur. Bij de doop van Marie Elizabet Smit was Maria Elizabet Baumann getuige, de laatste was in 1762 gedoopt als dochter van Samson Gottlieb en Maria Barbara.

BEECKHUIJSEN, Reijnier (BOS-362)
was soldaat toen hij in 1674 in Den Haag trouwde met de Amsterdamse Annetjen Bobij, hij was afkomstig uit het Gulikerland, de regio ten Noord-Oosten van Aken in de nabijheid van Jülich (Gulik). In 1688 hertrouwde hij met de uit Gorinchem afkomstige Maria van der Beeck (BOS-363).

v.d.BEEK, Alexander (BOS-366)
was afkomstig uit Wesel, over de grens bij Nijmegen, zoals wordt vermeld bij zijn huwelijk in 1685 te Den Haag met Helena Groenevelt (BOS-367).

BODENKAMP, Margaretha (BOS-123)
kwam uit Schüttorf, dat iets ten Oosten van Oldenzaal ligt.

BOL, Reijnier Hendricksz (BOS-838)
kwam uit Goch en vestigde zich rond 1643 als lakenwerker in Leiden

BREUKEL, Maria (BOS-243)
was afkomstig uit Haselünne, in Westfalen, vlak over de grens bij Emmen.

FLORQUIJN, Jeanne (BOS-839)
kwam uit Aken, met haar ouders Jacob en Marij, broers en zussen, oom Jan en zijn familie. Ze vestigden zich aan het begin van de 17e eeuw in de Langegracht, aan de noordkant van Leiden en werkten in de lakenindustrie.

DOLL, Johannes (GEEST-54)
was afkomstig uit Andernach bij Koblenz en vestigde zich in Beverwijk, toen hij trouwde (in 1806) was hij soldaat bij de mariniers, nadien werd hij koperslager.

OPPERHUIJSER, Johan Martin (BOS-120)
was kleermakersknecht in Leiden ten tijde van zijn huwelijk in 1757, hij was afkomstig uit Darmstadt, Hessen.

Zutphen en De Achterhoek

Hans zijn overgrootmoeder Elisabeth Petronella Maria Schmitz (GEEST-7) kwam uit Zutphen. Sommige van haar voorouders kwamen uit Zutphen en de daarvan ten zuid-oosten gelegen regio "De Achterhoek". In deze streek komen we veel buurtschappen tegen, in wezen zijn dit dorpen zonder centrum, dus zonder kerk en plein. Veel achternamen eindigen hier op "ink", "inck" of "ing", die je kan duiden als "van het huis". Het lijkt stereotype voor deze streek dat tot en met de 18e eeuw (dus in ieder geval voor de invoering van de Burgerlijke Stand, toen achternamen definitief werden gefixeerd), de naam van het huis - de boerderij - waar men woonde als toevoeging aan het patroniem werd gebruikt. Omdat adressen wel eens veranderden is het toponiem in die periode dus geen betrouwbare sleutel bij het zoeken in de archieven.

AKKERMAN, Joannes (GEEST-120)
verkreeg als katholiek in 1795 het Klein-Burgerschap van Zutphen (en verwierf daarmee rechten om toegang te krijgen tot bepaalde beroepen), maar hij woonde daar al in 1774 toen hij daar trouwde met zijn eerste echtgenote Alberdina Mulders. Hij was leerlooier van beroep, net als zijn zoon Everardus Joannes (GEEST-60). Evert kocht een huis in 1828 van het Katholieke armbestuur in een straat genaamd Barlheze. We komen Evert's zoon Joannes (GEEST-30) veelvuldig tegen in de bevolkingrsregisters en adresboeken van Zutphen tussen 1840 en 1890. Hij woonde vooral in de Barlheze, de Rozengracht en het Krintestraatje en was schoenmaker.

BEERLING, Dirkje (BOS-61)
werd geboren in Leiden en trouwde daar met Johannes Oppertsheusser (BOS-60), Dirkjes vader Hermannus (BOS-122) was broodbakker en woonde daar in de Lokhorststraat, diens ouders Dirk (BOS-244) en Gerritje Remmelink (BOS-245) woonden daar aan de Middelweg. Dirk was schippersknecht op Amsterdam, hij was afkomstig uit Varsseveld zo wordt vermeld in zijn eerste trouwakte uit 1734 met Maria Agnis Spijkers, in 1737 hertrouwde hij met genoemde Gerritje Remmelink die net als Dirk afkomstig was uit Varsseveld.
Het dorp Varsseveld was in 1723 getroffen door een grote brand die naar het schijnt bij de plaatselijke smid begon en het hele dorp in de as legde. 54 Huizen en de kerk werden getroffen, slechts drie huizen werden niet aangetast. Middels een landelijke collecte werd fl 65.000 ingezameld waarmee de inwoners schadeloos werden gesteld. (bron: wikipedia). Een aantal inwoners zocht hun heil in Leiden, waaronder dus Gerritje en Dirk.

BOIJNCK, Geeske (GEEST-8137)
was echtgenote van Lambert Poelhuijs (GEEST-8136) en trouwde na diens overlijden met diens broer Jan. Geeske is een dochter van Herman (GEEST-16274) uit het buurtschap Huppel, binnen de gemeente Winterswijk. Van haar moeder is alleen de voornaam Jutte bekend.

BUINCK, Henderica (GEEST-127)
is overgrootmoeder van Henderica Everdina Akkerman (GEEST-15) en voormoeder van Hans in rechte moederlijke lijn. Ze was in 1767 geboren in Groenlo, maar naar Zutphen vertrokken. In de Achterhoek komen we de naam Boeijinck/Boijinck/Buinck veelvuldig tegen. De tak Boeijink van mijn stamboom is een van oorsprong boerse familie die op een aantal voorname boerderijen hebben gewoond in de driehoek tussen Groenlo, Winterswijk en het Duitse Vreeden.
Henderica's vader Jan Willem (GEEST-254) kwam uit het Gelderse buurtschap Zwolle, nabij Groenlo, diens vader Berent (GEEST-508) woonde aan De Braak en aan de Gelderse Es in het meer naar het zuidoosten gelegen buurtschap Meddo. Berent's vader Berentt (GEEST-1016), diens vader Jan (GEEST-2032) en tenslotte diens vader Hindrick (GEEST-4064) kwamen allemaal uit hetzelfde buurtschap, Meddo. De dopen van hun kinderen vonden meestal plaats in Groenlo en Winterswijk.

BULT, Janna (GEEST-121)
werd bij haar ondertrouw in 1777 in Zutphen, Joanna Willemsen genoemd, ook meldt de akte dat ze afkomstig zou zijn van Hummelo. We kunnen dit corrigeren tot het Gelderse Hengelo (nabij Hummelo), tenminste daar treffen we haar doopakte. Haar vader is Willem Klaasz Bult (GEEST-242), van hem wordt gemeld dat hij afkomstig was van Zelhem. Bij de doop van een van zijn kinderen wordt als lokatie "aen den Bult" meegegeven, dus de achternaam lijkt een toponiem. Heden ten dage is er nog een zorgboerderij genaamd "De Bult", gelegen in de driehoek Tolhoek - Hengelo - Hummelo (zie: website Zorgboerderij De Bult).

PLECKENPOEL, Hermina (GEEST-243)
was afkomstig van Ruurlo. We komen haar in de doopboeken ook tegen met de achternaam Bleckenpoel. Na het overlijden van Willem Klaasz Bult (GEEST-242) hertrouwde ze met Harmen Arents "Swaalvenburg", die ook ""op den Bult" werd genoemd. Het is aannemelijk, dat Hermina na het overlijden van haar eerste echtgenoot op de Bult is blijven wonen en dat de naam van het huis dus meeverhuisde naar haar nieuwe echtgenoot.

Voorouders uit het hart van Nederland: de Betuwe

In de tak van Hans zijn moeder komen we Gerret Schoenmaker (GEEST-68) tegen die geboren was in het Gelderse Tricht, maar in 1753 in 's-Gravenzande, in het Westland, trouwde. Tevens treffen we Arien Kievit (GEEST-70) die evenzo in Tricht geboren was, naar het Westland trok en in 1753 in 's-Gravenzande trouwde. De synchroniciteit van deze gebeurtenissen is treffend en doet vermoeden dat zij (of waarschijnlijk hun ouders) door omstandigheden aangezet werden om hun geboortegrond te verlaten. Als we naar de regio kijken waarin Tricht ligt, dan zal dit waarschijnlijk samenhangen met dijkdoorbraken, aldus zoekend naar die periode in de geschiedenis van de regio treffen we veelvuldige dijkdoorbraken aan in de jaren 1725, en 1740/1741. De overstromingen van 1740/1741 vallen daarbij op vanwege hun uitgestrektheid: een gebied van Kleef tot aan de Biesbosch werd getroffen. Vooral de meer naar het Westen gelegen Alblasserwaard en de Vijfherenlanden stonden vrijwel in zijn geheel onder water, ook de meer naar het Oosten gelegen Over-Betuwe heeft vijf tot zeven weken onder water gestaan. Door de geleidelijke verhoging van de waterstand is het aantal menselijke slachtoffers laag gebleven, wel werd melding gemaakt van het verdrinken van enkele duizenden stuks vee. Het reddingswerk en de noodhulpverlening in 1741 waren vooral een zaak van de steden Arnhem en Wageningen en particuliere hulpcomités. Bijzonder is de hulpverlening door het comité dat in 1741 in Holland werd opgericht en zich het lot van de slachtoffers in het gehele rivierengebied aantrok. Voor zover bekend was dit de eerste keer dat een dergelijk comité in het leven werd geroepen. (Bron: Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 12 (2003); webversie 2006 - ‘Nooyt gehoorde hooge waeteren’ - J van Zellem).
Dit wordt bevestigd door het volgende citaat: "1740, Den 24 December en 26 December doorbraak bij open water van de Overbetuwsche dijken te Bemmel en Elden, door het vloedwater spoelde de steenen brug voor de Buurensche Poort te Tiel met het daarop staande wachthuis weg. Geheel Overbetuwe, Nederbetuwe, Tielerwaard, Beesd, Rhenoij, Kuilenburg enz. geraakten diep onder." (Bron: Website Maurikonderzoek.weebly.com "Barre tijden in de Betuwe").
Het is niet onwaarschijnlijk dat dit heeft geleid tot een kleine volksverhuizing.
Minder opmerkelijk, maar toch wel vermeldenswaardig is, dat de kinderen van bovengenoemden Gerret en Arien met elkaar trouwden: in 1786 trouwde Arij Schoenmaker (GEEST-34) in 's-Gravenzande met Lidewij de Kievit (GEEST-35). Veel van hun voorouders komen uit de contreien van Tricht die op grotere schaal bekend is onder de naam De Betuwe.

het dorpje Buren in de Betuwe
het dorpje Buren in de Betuwe


v.BEEST, Aefke Gijsberts (GEEST-1123)
woonde in 1686 in Tricht, maar haar achternaam is zeer waarschijnlijk een toponiem verwijzend naar het nabij gelegen Beesd.

Voorouders uit de kop van Overijssel

Hans z'n betovergrootmoeder Margaretha Beute (BOS-9) en een flink aantal van haar voorouders kwamen uit de kop van Overijssel: Steenwijk en omgeving, in de hoek van de provincies Overijssel, Friesland en Drenthe. In deze regio werden in de 19e eeuw de werkkoloniën door de "Maatschappij van Weldadigheid" gesticht (zie wikipedia), maar reeds lang daarvoor (ca. 13e eeuw) was men daar bezig om veen af te graven, in eerste instantie voor het omzetten van de veengronden in landbouwgronden, maar al sinds de 16e eeuw concentreerde men zich op de winning van turf voor gebruik als brandstof. In veel provincies waren de veengebieden vaak aangekocht door particulieren verenigd in consortia, of door stedelijke en gewestelijke overheden, maar in Overijssel was de turfwinning vooral een zaak van individueel werkende verveners. Het landelijk, provinciaal en lokaal bestuur profiteerde middels het heffen van tol (voor doorvoer) en impost (op uitvoer). (Bron: Vier eeuwen turfwinning - Gerding, M.A.W. - Wageningen University and Research).

BEUTE, Margaretha (BOS-9)
trouwde op 21-jarige leeftijd in Delft met Wilhelmus Johannes van den Bos (BOS-8). Toen ze trouwde, in 1861, was ze hoogzwanger, Johannes Wilhelmus (BOS-4), Hans z'n overgrootvader, werd 5 dagen na het huwelijk geboren. Margaretha was in Steenwijk geboren, beviel in Delft van 3 levensvatbare en 6 doodgeborene kinderen en overleed in het kraambed op 37-jarige leeftijd. Met haar waren haar zusters Johanna, Hendrika en Albertje en haar broer Marten naar Delft getrokken. Hun vader Nicolaas Waterbeek (BOS-18) - zijn tweede voornaam was de achternaam van zijn moeder - was kleermaker te Steenwijk, hij woonde o.a. in de Onnastraat, Weemstraat en Scholestraat, hij overleed in 1863, te Steenwijk. Diens vader Rijkent (BOS-36) was schoenmaker en woonde in de Gasthuisstraat in Steenwijk, zijn zus Annigjen was koloniste in kolonie I, Frederiksoord, één van de vrije koloniën van de "Maatschappij van Weldadigheid" die rond 1820 waren gesticht om armen aan werk en inkomen te helpen. Hun vader Marten (BOS-72) was veerman op het veer tussen Steenwijk en Zwolle, woonde in de Woldstraat ten tijde van zijn overlijden en was geboren in Wanneperveen. Marten's vader Hermen (BOS-144) was vervener en veenbaas hij was gedoopt in Kolderveen en woonde in Dinxterveen. Ook zijn vader Harmen Hermannsz (BOS-288) kwam uit die hoek en beoefende hetzelfde beroep, hij was in 1719 getrouwd met Annigjen Hendriks (BOS-289).

Buitenbeentjes

Voorouders die niet te plaatsen zijn in bovenstaande categorien, maar waar toch iets over te vertellen valt:

v.BALLEGOIJ Stephania (HARST-355)
is afkomstig uit Grave (aan de Brabantse kant van de Maas bij Nijmegen), zo wordt vermeld bij haar eerste huwelijk, in 1684 te Leiden met Claes Claesz vander Back.
Waarschijnlijk is zij dochter van Thomas Peters uit Balgoij (gelegen aan de Gelderse kant van de Maas) die in 1656 in Grave trouwde met Marie Tissen Jonck. De voornamen van haar broers Matthijs en Pieter die we als getuigen tegenkomen bij de dopen van haar kinderen en de namen van haar kinderen Thomas en Maria (HARST-177) vormen hiervoor een sterke aanwijzing.

t.BOCK, Judith (BOS-51)
is in 1765 in Nijmegen geboren uit Joris (BOS-102) en Joanna Bos (BOS-103), ze werd gedoopt bij de minderbroeders (franciscanen). Haar broers waren metselaar van beroep.

BOUMANS, Joannes (GEEST-210)
was de vader van Dorothea die genoemd wordt bij inwoners van Den Haag. Joannes was geboren in Renswoude, maar trouwde in Den Haag. Hij was zoon van Henricus (GEEST-420) en Angela Harms van Veelen (GEEST-421). Henricus overleed in 1779 in Renswoude, 5 maanden nadat zijn zoon Joannes (in Den Haag) overleed, die werd 48 jaar.

BRERO/BREDERODE, Neeltje (BOS-355)
werd in 1679 te Lisse geboren. Haar schoonvader was linnenwever te Monster. Het lijkt erop dat Neeltjes vader Pieter (BOS-710) in de vlasteelt en linnenindustrie werkte die in de regio rondom Lisse van betekenis was. Vlasverwerking is vooral seizoensgebonden en beperkt zich grotendeels tot de winter. Pieter was getrouwd met Catlijntje Benjamins d'Ogiers (BOS-711). Pieter's vader is Gerrit Leendertsz (BOS-1420). In 1633 koopt hij van de erfgenamen van zijn schoonvader een huis en erf aan de Veenderlaan (tegenwoordig Stationsweg) in Lisse. Hij was pachter van een stuk land genaamd de Garstkamp in Lisserbroek.
Waarschijnlijk is de achternaam een toponiem verwijzend naar de Heerlijkheid Brederode, het duingebied bij Haarlem, Overveen en Hillegom.

d'OGIERS, Catlijntje Benjamins (BOS-711)
is dochter van Benjamin Guillaume (BOS-1422). De naam van diens vrouw is onbekend, maar van zijn vader Guillaume (BOS-2844) is bekend dat deze in 1597 in Lisse trouwde met Jannetje Aernts (BOS-2845). Jannetje kwam uit Lisse, maar Guillaume uit Haarlem. Guillaume wordt in 1605 in Lisse genoemd als linnenwever, zijn achternaam is onzeker, in 1620 is hij getuige bij het huwelijk van zijn dochter Susanna en wordt dan d'Ogiers genoemd, ook zien we de namen Vogi(j)ers en Rogi(j)ers. Zijn ouders waren Andries (BOS-5688) en Catelijntge Jans van den Bussche (BOS-5689).
Zoekend op het internet naar de naam Ogiers in Haarlem leidt al snel naar het verhaal van Anneke Ogiers dat speelde in 1570 (dus vóór de bevrijding die in Haarlem in 1577 plaatsvond) en o.a. werd vastgelegd in de "Martelaersspiegel van Van Braght" en de "Historie der martelaren van Haemstede", het lijkt waarschijnlijk dat zij verwant is aan Andries. Kort samengevat: omdat deze Anneke bekend stond als godvruchtig, maar nooit naar de mis ging, werd haar dienstmeid ondervraagd of Anneke aan ketterij deed, deze bekende dat haar bazin iedere ochtend een Lutherse bijbel las en bad. Anneke bekende dat ze zich in 1557 in Amsterdam had laten herdopen, werd veroordeeld voor ketterij en op 17 juni 1570 in Haarlem door verdrinking om het leven gebracht. Na de reformatie werd ze een martelares voor de doopsgezinden. (Zie ook: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland).

d.ROIJ(EN), Grietgen Aelberts (BOS-2753)
was voordat ze met Thomas de Blij (BOS-2752) trouwde, in 1622 in Utrecht getrouwd met Herbert Ewoutsz van Asch. Ze is vermoedelijk de dochter van Aelbert Jacobsz en Aefgen Gijsberts van Weeldens, zij trouwden met elkaar in 1587 in Utrecht. Aelbert hertrouwde kort na het overlijden van Aefgen in 1610 met Geertruijt Remmers.

VERNOIJ, Johannes (HARST-182)
werd aan het eind van de 17e eeuw in Wijk bij Duurstede geboren, huwde Catarina van Gramsbergen (HARST-183) in 1707 te Amersfoort en liet hun kinderen dopen in Amersfoort, resp. Delft. Hun dochter Jacoba (HARST-91) trouwde in Leiden met Jacob Benning (HARST-90).

COOL, Jacob Teunisz (BOS-1122)
was afkomstig van de Diefdijk bij Leerdam. Hij trouwde in 1640 in het Gelderse Buren met Willemke DIRCKs (BOS-1123) en verhuisde enkele jaren later naar Delft.

DEELEN, Johannes Christophorus (GEEST-22)
was pottenbakker in Delft, hij stamt af van Jan Michielsz DELEN (GEEST-1408) die o.a. in 1626 burgemeester was van het gehucht "De Rul" bij Heeze. Joannes' moeder Wilhelmina v.RIEL (GEEST-54) was werkster.

ELSING, Maria (GEEST-53)
was werkster in Den Haag, ze was afkomstig uit Sneek.

GROENHEIJDE, Waling Bastiaensz (GEEST-570)
was bouwman en gezworene van Abtsrecht, een ambacht even ten zuiden van Delft.

KNIP, Willem (BOS-24)
was een vondeling, helaas niet zeldzaam in die tijd (1790) en op die plaats (Amsterdam). Hij trok naar Den Haag waar hij Maria KEIJZER (BOS-41) trouwde en in de bouw werkte.

v.d.KOOIJ, Pleun Michielsz (GEEST-2272)
was bouwman en kooiker op de Kooijwoning in de Zuidpolder van Delfgauw, is stamvader van het geslacht Van der KOOIJ.

MIDDENDORP, Harmen Dirksz (BOS-552)
was Luthers, al zijn kinderen zijn gedoopt in de Lutherse kerk te Delft. Hij woonde in ca 1675 op de hoek van het Rietveld met het Raam in Delft.

PENNINGH, Willem Pietersz (BOS-9040)
was stuurman van een buis rond 1590. Zijn zoon Cornelis (BOS-4520) was schipper en diens zoon Willem (BOS-4308) was ook een zeevarend man. Van diens zoon Willem (BOS-2260) is een notariële akte uit 1650 gevonden waarin vermeld wordt dat hij klaarstond om uit te varen naar Groenland. Zij allen woonden in Schiedam.

PRINS, Dirk (BOS-178)
is afkomstig uit Poortugaal, trok naar het Westland om daar te trouwen met Maartje LANDERSHOF (BOS-179) uit 's-Gravenzande en vestigde zich definitief op Voorne-Putten alwaar hij zijn kinderen liet dopen (te Simonshaven).


het kerkje van Simonshaven
het mooie kerkje van Simonshaven

de Weeskamer van Delft
Een schilderij aan de muur van de voormalige weeskamer in het stadhuis van Delft

Gezinnen ingeschreven bij de Weeskamer van Delft

In Delft werd reeds in 1355 een primitieve weeskamer opgericht, zij was daarmee de eerste van Holland (bron: 't Weeshuijs binnen Delft - Ingrid van der Vlis).
De Weeskamer was een raad die werd opgericht om de belangen te verdedigen van minderjarige kinderen die een ouder hadden verloren. De leden van de raad kwamen regelmatig samen om de nieuwe weesgezinnen in het stadhuis te beoordelen (in een speciale kamer genaamd "de Weeskamer"). Iedere ouder had het recht om een ​​voogd te benoemen, als dit niet was gebeurd, stelde de weeskamer een familielid aan als voogd. De kamer beschermde voornamelijk de financiële belangen van de kinderen, hun familie moest nog steeds zorgen voor hun opleiding en opvoeding. Als het gezin de kinderen niet kon opvoeden, werden ze naar een pleeggezin gestuurd. Als er geen familie bekend was, werd "de Heilige Geest" ingeschakeld, een instelling die verantwoordelijk was voor het welzijn van de armen in het algemeen. Dit instituut werd gefinancierd door de stad die ook de leiding (de "Heilige Geestmeesters") aanstelde, ook de leden van de weeskamer werden door de stad aangesteld.
Het gebeurde met grote regelmaat dat een ouder stierf voordat zijn/haar kinderen volwassen waren. Zodra dit gebeurde, werd de weeskamer ingelicht en vond in ieder geval een registratie plaats. Een familie beschikte over de mogelijkheid om op voorhand de weeskamer uit te sluiten door een notaris in te schakelen. In de akte moest dan duidelijk gemaakt worden dat er voldoende middelen beschikbaar waren om de kinderen groot te brengen. Als de weeskamer niet werd uitgesloten, werd deze de wettige eigenaar van de nalatenschap van de kinderen, meestal werd de inboedel verkocht en het opgebrachte geld geïnvesteerd, terwijl een voorziening voor de overblijvende ouder werd gemaakt. Vaak had de inboedel nauwelijks waarde, wat impliceerde dat de stad de opvoeding moest ondersteunen. In de 17e en 18e eeuw in Delft, maar waarschijnlijk nog vaker in Amsterdam, zien we dat de arme weesjongens op zeer jonge leeftijd (14 was niet ongebruikelijk) naar de schepen van de VOC werden gestuurd.
Registraties bij de Weeskamer van Delft
Registratiedatum Ouders Aanleiding Weeskinderen
1558-10-04 Adam Henricksz van der Burch en Adriana Willems overlijden van Adam Henrick 21 jr
Reijer 20 jr
Willem 18 jr
IJtge 17 jr
Maritge 13 jr
Grietgen 11 jr
Jacob 9 jr
Aechgen 7 jr
Adriaentge 5 jr
Beuckel 3 jr
Gherit 2 jr
1671-09-05 Cornelis Jacobsz van der Burgh en Maertge Hendrickx overlijden van Cornelis Jacobmijntien 18 jr
Hendrick 16 jr
Maria 13 jr
1642-07-04 Jacob Davidszn Beun en Lijsbet Leenderts Bonger overlijden van Jacob David 3 jr
1649-09-15 Adriaen Adriaensz van den Brant en zijn moeder Lijsbeth Jans overlijden van Adriaen Maddeleentgen 19 jr
1651-06-10 Cornelis Jacobsz van der Burgh en Maertge Pieters overlijden van Maertge Heijltge 22 jr
Jacob 18 jr
Pieter 16 jr
Marijtge 14 jr
Koenraed 9 jr
Gerrit 4 jr
1671-09-05 Cornelis Jacobsz van der Burgh en Maertge Hendrickx overlijden van Cornelis Jacobmijntien 18 jr
Hendrick 16 jr
Maria 13 jr
1674-07-28 Claes Willemsz van der Block en Marijtie Laurens van Maelen overlijden van Claes Ariaentie 2 jr
Claesijntie 1 jr
1680-03-29 Jan Abrahamsz van den Benden en Trijntgen Jans dood van zijn kinderloos gestorven zuster Bastiaentge Abrahams Abraham 18 jr
Arien 16 jr
1694-12-07 Jan Thomasz de Blij en Helena Jans van Kleef overlijden van Jan en Helena Elsie 24 jr
Grietie 21 jr
1698-02-19Jacob Mabeljon en Jannetje Gerrits Beeck overlijden van Jacob Marijtje 2 jr
1711-10-23 Daniel de Blij en Pieternella van der Hoeve overlijden van Pieternella Pieter 22 jr
Anna 18 jr
Lena 15 jr
Thomas 12 jr
Lijsbet 9 jr
Pieternelle 8 jr
1723-07-03 Jan de Bleij en Anna Maria Sinneschal overlijden van Anna Maria Jan 10 jr
Jacobus 8 jr
Pieter 5 jr
1729-11-04 Marinus van Beemen en Geertruijd Hoeckgeest overlijden van Geertruijd Maria 19 1/2 jr
Pieter 17 1/4 jr
Marinus 14 3/4 jr
Magteld 13 1/2 jr
1751-01-30 Barent Verhagen en Magteld van Beemen overlijden van Magteld Barent 12 3/4 jr
Marinus 9 jr
Johannes 7 1/4 jr
Pieter 4 1/4 jr
1770-05-11 Robbert Boonaard en Anna Maria Muijsman overlijden van Anna Maria en Robbert Jacobus 20 jr


De volgende voorouderlijke gezinnen hadden de weeskamer opzettelijk uitgesloten:
Registratie van uitsluitingen bij de Weeskamer van Delft
Registratiedatum Ouders Aanleiding
1675-09-18 Jan Jaspersz Buijs en Aeltje Hermans Nacke overlijden van Jan
1718-02-18 Dirck Ackersdijck en Angeniesie Westhoorn overlijden van Dirck
1736-05-26 Arent de Vree en Angeniesie Westhoorn overlijden van Arent
1755-11-21 Jan de Blij en Kniertje van Engelen overlijden van Jan
1780-02-25 Jan van den Bosch en Willemina Jacobs Schindelaars overlijden van Jan
1784-07-10 Robbertus Boonaart en Sophia Leenderts overlijden van Sophia
1808-11-25 Robbertus Bonaart en Alida Kune overlijden van Robbertus

Personen uit de stamboom die op de schepen van de VOC hebben gewerkt

Louis, broer van Paul Blanche (HARST-88), was op 19-jarige leeftijd in dienst van de VOC voor de Delftse kamer. Voor zover bekend maakte hij één retourreis naar Batavia, heen in 1762 op het schip Bleijswijk, terug in 1766 op schip de Lapienenburg (voor de Amsterdamse kamer). In beide gevallen was hij hooploper, een hulpje voor matrozen.

Historische context

Door de eeuwen heen vallen veranderingen te herkennen die op grote schaal hebben plaatsgevonden:
Vóór de Franse tijd (van 1795 tot 1813) waren beroepen waarvoor men lid moest zijn van een gilde niet toegankelijk voor personen die niet de staatsreligie (Nederlands-Hervormd) aanhingen. Dit vormde in veel gevallen een aanzienlijke beperking in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Het verbod verklaart in belangrijke mate waarom we bij de voorouders van Joodse komaf frequent als beroep "koopman" vermeld zien, het was ook een belangrijke reden waarom een deel van hen voor het bankwezen koos, ook een beroep waarvoor geen gilde bestond. Deze beperking gold dus niet alleen voor Joodse inwoners, maar ook voor de omvangrijke groep van Katholieken in ons land.
De beoefening van wetenschap en haar uitwerking op vernieuwing en levensduur: Vooral door de reformatie aan het eind van de 16e eeuw veranderde de samenleving van een overwegend boerse in een overwegend industriële maatschapij. De rol die nieuwkomers hierin speelden is onomstotelijk. Met hen kwam kennis en onstond er een toenemende inzicht van de noodzaak om kennis te verzamelen. Kijkend naar bijvoorbeeld de ontwikkeling van de geneeskunde en zorg, dan zien we in de 17e eeuw grote veranderingen in het sterftecijfer van kinderen tussen het begin en eind van die eeuw. Pestepidemiën die vooral huishielden in de oude steden kwamen minder vaak voor en eisten minder slachtoffers. Het besef dat vlooien voor pest verantwoordelijk waren en dat deze vooral via ratten werden verspreid ontdekte men pas in 1898 (bron: wikipedia), maar het besef dat hygiëne en ondervoeding van grote invloed waren op de kans om te overleven werd steeds meer duidelijk. Tal van verordeningen (keuren) werden uitgevaardigd om epidemieën tegen te gaan, pestartsen werden aangesteld en -huizen gebouwd, sommige grachten werden gedempt.
Van Delft en Leiden is bekend dat deze getroffen werden door de volgende pestepidemiën:
Pestepidemieën in Delft en Leiden
jaarslachtoffers in Delftslachtoffers in Leiden
1557/586.000
1601-041.0009.000
1624/254.00010.000
16351.00015.000
165510.000
1664500

In Leiden werd in 1661 een stenen pesthuis buiten de stadspoorten (nu onderdeel van Naturalis) gebouwd, in 1669 werd begonnen met de demping van een aantal grachten. In Delft werd in 1664 een pesthuis buiten de Oostpoort gebouwd (het pesthuis aan de Verwersdijk was getroffen door de buskruitramp), maar na de epidemie van 1664 heeft het niet meer als zodanig dienst gedaan.
(bron Delft: Delfia Batavorum, Jaarboek 2017 - Kees van der Wiel en Peter Ekamper, bron Leiden: www.hollebeek.nl)
Je kunt de trend herkennen dat families van het platteland naar de stad trokken bij toename van de bevolkingsdichtheid met de tijd:
De drie oudste generaties van ACKERSDIJCK (Arent Heijndricksz, Aam Arentsz en Phillips Aamsz) waren boer in Overschie/Akkersdijk en Vlaardingerambacht, maar de volgende generatie (Dirck Phillipsz) verhuisde naar de binnenstad van Delft, aan het einde van de 17e eeuw.

back forward